René Feller heeft succes met Eritrea Onder-20 “Tegenstanders hadden moeite met onze buitenspelers” In februari vertelde René Feller in deze rubriek Trainerstaal over zijn ervaringen als coach van Eritrea Onder-17. Als trainer werken in één van de armste landen van de wereld: dat mocht men gerust een grote uitdaging noemen. Het verhaal ging toen niet alleen maar over techniek en tactiek. Vervolgens kreeg Feller het team Onder-20 onder zijn hoede. Feller moest ook met andere zaken rekening houden in de voorbereiding op het toernooi van twaalf Oost-Afrikaanse landen, dat in augustus in Zanzibar is afgewerkt. Met succes, want zijn team werd verdienstelijk derde. Als René Feller (62) in juni 2004 zijn opwachting maakt in Eritrea, op het vliegveld van de hoofdstad Asmara, is hem meteen duidelijk dat werken in dit land een Herculesklus is. Drie vliegtuigen die tegelijk arriveren, zorgen voor een onnoembare chaos op het vliegveld, dat de omvang heeft van een treinstation van een Nederlandse stadje. Eritrese ambtenaren maken de entree tot een hel, door keer op keer de papieren te controleren, geldformulieren te eisen, en de bagage ondersteboven te keren. In die muffe mierenhoop verliest Feller zijn laptop, omdat hij weigert een bedrag te betalen voor de invoerrechten. “Ik ga daar niks extra’s voor betalen, ik kijk wel uit. Ik zei tegen die ambtenaar: hou dat ding maar, zoek het maar uit.” Op het kantoortje van de Eritrese voetbalbond gaat Feller de eerste weken duimen draaien: geen laptop, geen training. “Omdat al mijn trainingsschema’s in die laptop zitten, kon ik niks doen. Ze moesten maar zorgen dat ik ‘m terugkreeg, wilde ik überhaupt aan een training gaan beginnen.” Na een paar telefoontjes, nog meer brieven, en de bemiddeling van de minister, krijgt Feller de laptop na ruim twee weken weer in handen. “Ik ken alle trainingsschema’s van Ajax uit m’n hoofd, van de jeugd tot aan het eerste elftal, maar dat hoefden ze daar natuurlijk niet te weten.” Mogelijkheden Eritrea is een klein en vergeten land in de oostelijke ‘hoorn’ van Afrika (drie keer Nederland) en staat in de armoedelijsten van de Verenigde Naties bijna onderaan, evenzo beroerd als zijn positie op de wereldranglijst van de FIFA. Daar noteert Eritrea op de lijst van 205 aangesloten landen een 168ste plaats. “Je werkt daar te midden van barre armoede, en dan valt het in de hoofdstad nog mee. Het is zo jammer, want juist in een arm land zouden ze met het voetbal zo ontzettend veel voordeel kunnen halen.” De jeugd verveelt zich te pletter, weet Feller, door gebrek aan werk en mogelijkheden voor vertier, terwijl de sociale samenhang in de wijken en steden vaak ver is te zoeken. “Voetbal is een manier om de mensen van de straat te houden, ze een handvat aan te reiken, maar het gebeurt niet.” De nationale competitie, met twaalf teams, is georganiseerd op basis van organisaties, zoals het leger. Clubs zijn er niet, laat staan een jeugdafdeling. “Er zijn geen faciliteiten, er is geen organisatie. Er is helemaal niks. En beter wordt het niet.” Op het wereldtoneel zal Eritrea voorlopig niet gloriëren. Zo het land al ambities koesterde voor het WK in Duitsland volgende zomer, lagen die in 2003 al in gruzelementen. In de strijd om vijf Afrikaanse tickets voor het WK, organiseerde Afrika een eerste afvalronde onder 51 landen, waarin Eritrea het moest opnemen tegen buurland Soedan. Na een gelijkspel in Asmara in november 2003 (0-0) vloog Eritrea uit het toernooi. In de uitwedstrijd een maand eerder in de Soedanese hoofdstad Khartoem, ging het nationale elftal met 3-0 kopje onder. De verwachtingen op het Oost-Afrikaans kampioenschap, met twaalf landen zijn bescheiden, want Feller kent de geschiedenis: nog nooit wist een Eritrees landenelftal, junior of senior, ergens het podium te bereiken. “Meestal beëindigt Eritrea zo’n toernooi als laatste of één-na-laatste.” Aan de kwaliteiten ligt het niet, weet Feller: “Veel spelers kunnen een heel aardig potje ballen. Je hoeft op straat maar om je heen te kijken: veel jochies zijn technisch begaafde, atletische spelers.” Behalve aan de slechte organisatie en belabberde faciliteiten, wijt Feller de tegenvallende resultaten aan de oorlogsituatie in het land. Dertig jaar lang vocht Eritrea een burgeroorlog uit met Ethiopië, voordat het land in 1993 onafhankelijk werd. De onmin met het veel grotere buurland bleef, en mondde eind vorige eeuw uit in een bloedige oorlog, die alleen al 70.000 Eritreërs het leven heeft gekost. De vrede die in 2002 werd bezegeld door de Verenigde Naties is broos: elk moment kan de oorlog opnieuw uitbreken. “Ze hebben op dit moment alle mannen, ook de ouderen, onder de wapens geroepen”, zo verkondigt Feller het laatste nieuws op het terrasje. “Het is bar en boos hier.” Vanwege de oorlogsdreiging lapt de regering alle burgervrijheden aan haar laars, en zijn vele producten nauwelijks nog te krijgen. “De benzine is op de bon, de suiker nu ook. Coca cola is niet meer te krijgen. Het wordt steeds moeilijker hier te leven. Het is dat ik als bondscoach een auto van de regering mag rijden, anders kom je hier nergens.” Politiek De politieke spanningen zijn nooit ver van het voetbalveld. Nu de regering de vrijheid beknot, alle kranten verbiedt én tegenstanders zonder vorm van proces in het gevang zet, beleeft het land een ware exodus. Eén miljoen van de 4,5 miljoen Eritreërs woont inmiddels in het buitenland, van wie drieduizend in Nederland, en de vluchtelingenstroom houdt aan. Na elke uitwedstrijd moet de coach van Eritrea beducht zijn voor weglopers. “Na de wedstrijd in Soedan bleven zes van onze spelers achter, om asiel aan te vragen. We hadden een behoorlijk goed elftal op het veld, en dan valt opeens de helft weg. Iedereen in dit land wil het liefste zo snel mogelijk weg. Op deze manier kun je natuurlijk nooit een fatsoenlijk elftal bouwen.” Feller mag nog van geluk spreken dat de spelers van het nationaal elftal hun dienstplicht slechts gedeeltelijk vervullen. “Anders had ik voor Zanzibar niet eens een elftal op de been kunnen krijgen.” Het opbouwen van een nationaal elftal is bovendien lastig, omdat de paar talentvolle spelers die uitkomen in Europese competities, niet mee kunnen trainen. “Geld om deze spelers regelmatig over te laten komen is domweg niet beschikbaar.” De wijze waarop de Eritrese voetbalbond opereert staat elke verbetering in de weg. Feller legt uit dat de tegenhanger van de KNVB in Eritrea, anders dan in Nederland, onder het gezag van de regering valt. “Er komt bij de bond wel geld binnen, bijvoorbeeld van de FIFA, maar je kunt er niet zo maar van uitgaan dat dit geld naar het voetbal gaat.” Zo weet Feller dat de wereldvoetbalorganisatie geld beschikbaar heeft gesteld voor een kunstgrasveld in Asmara, maar de aanleg is nog ver weg. “Ik maak dat niet meer mee.” Zelfs een klein verplaatsbaar doel dat Feller direct na zijn aantreden in Asmara heeft besteld, is er nooit gekomen. “Een jaar lang heb ik onder de meest belabberde omstandigheden moeten trainen. En buiten Asmara is het nog veel slechter: de velden zijn overal kale zandvlaktes.” Eigen speelwijze René Feller: “Mijn voorkeur heeft 1:4:3:3, maar er moeten wel de spelers voor zijn. Landen die altijd 1:4:4:2 spelen zien hedendaagse wel in dat de scoringskansen gecreëerd moeten worden via de vleugels. Twee spitsen vraagt heel veel switchen, want je staat vaak tegenover een overtal van verdedigers. In Afrika spelen alle landen met twee spitzen naast elkaar. Sommige zoals Burundi 1:3:5:2, maar hier kleven vrij veel nadelen aan. Ik had een speler die de 100 meter in bijna negen seconde  kon lopen. Door hem rechtsbuiten te plaatsen had hij maar één tegenstander tegenover zich, die hij vele malen eruit kon lopen. Mijn spits moest veel kaatsen en aan de linkervleugel stond een technisch begaafde linkspoot, die de diagonaal kon verzenden. Op het middenveld speelden wij met de punt naar achteren. Ik had daar drie verschillende typen spelers. Namelijk een cleaner (type Galasek), rechts een loper die afwisselend met de rechter spits de diepte opzocht en een linker middenvelder met prima inzicht. Achterin speelden we met vier man op lijn (beter voor de opbouw) en bij balbezit schoof de libero in voor meer steun op het middenveld. Mijn probleem was toch wel de doelverdediger die te weinig meevoetbalde. Ik had echter geen keeperstrainer en iemand aantrekken was financieel niet haalbaar. Bovendien was de tijd te kort in de voorbereiding. Tijdens wedstrijden kon of hoefde ik weinig tactische ingrepen te doen. Ik wilde mijn eigen spel blijven spelen. Tijdens de wedstrijden probeerde ik de spelers attent te maken op de sterke punten van de tegenstander, zoals de lengte van sommige aanvallers en wat zwakke punten van de anderen. Ons grote voordeel was toch het 1:4:3:3, want tegenstanders wisten niet goed hoe ze onze buitenspelers moesten aanpakken en in de wedstrijd was dat meestal moeilijk meer bij te sturen.” Training De velden zijn slecht en je bent al blij als het vlak is. Waar we trainden, waren geen netten in de doelen en er wordt iedere keer een beroep gedaan op je creativiteit om een plekje te vinden. We speelden zes wedstrijden in veertien dagen, waarvan drie met 120 minuten. Daarom heb ik tijdens het toernooi hoofdzakelijk wat positiespel gedaan en dus absoluut geen krachttraining. Sommige trainingen deden we zelfs allen maar rekken en strechen. De voorbereiding van Foppe de Haan op het WK Onder-20 was voor mij een prachtige handleiding, want De Voetbaltrainer ontving ik ook tijdens mijn verblijf in Afrika. Ons grootste voordeel in Eritrea was echter het hoogteverschil. Wij wonen in Asmara (hoofdstad van Eritrea) op 2500 meter hoogte. Naar beneden gekomen in Zanzibar hadden wij veel meer ‘lucht’ dan de andere teams. En andersom: Kameroen is ooit in Asmara geweest. Zij kwamen twee dagen van te voren en die hadden behoorlijke problemen met het hoogteverschil! De schaatsers gaan niet voor niets op hoogtestage. Waar wij trainden, lopen ook atleten. Denk bijvoorbeeld aan Tadeese (3e bij de 10.000 meter in Athene) en Kibli (2e bij de WK halve marathon). We konden onze trainingen niet echt baseren op de vooraf geanalyseerde speelwijze van de tegenstander. In Eritrea hebben mijn assistent (Negash Teklitt, oud-speler van het Ethiopische elftal en zeer bekend in Afrika) wat video’s bekeken van o.a. Zanzibar en Kenia. Maar daar konden we geen peil op trekken. Dus we hadden geen informatie vooraf, maar omdat het toernooi zich afspeelde in één stadion (twee wedstrijden op één dag) hebben we praktisch alle wedstrijden kunnen bekijken, zodat wij niet voor verrassingen kwamen te staan.” Tegenstanders René Feller: “Het toernooi was voor onder twintig, maar ik twijfelde bij sommige landen. Spelers met nieuwe paspoorten! Eritrea speelde met zes jongens van 17 en vier van 19 jaar. De meeste landen probeerden 1:4:4:2 te spelen. Djibouti en Somalië waren echter dermate zwakke teams dat het moeilijk was om wat te ontdekken. Burundi echter speelde goed 1:3:5:2 en was mede door sommige spelers die in Turkije speelden (profs) voor mij het beste team. Opvallend was wel dat veel ballen door de lucht gespeeld werden en teveel de lange pass werd gespeeld. Vooral Oeganda, Rwanda en Burundi waren lichamelijk zeer sterk. De linies schakelden zich niet in om de volgende linie te ondersteunen, dus daardoor waren er te veel ‘ball watchers’, om van overlappingen maar niet te spreken. Met mijn jonge knapen probeerde ik wel dat het hele team kort op elkaar moest spelen en daardoor speelden wij met Burundi het beste voetbal. Ethiopië dat vrij gunstig had geloot met Djiboiti en Somalië groeiden in het toernooi en won uiteindelijk de finale van Burundi na het nemen van penalty’s. Arabisch succes

Rene Feller met Negash Teklitt, één van de bekendste oud-internationaals van Ethiopie
Wat brengt een middenstander in de keramiek te Hoorn tot dit bijzonder baantje in een van de meest verstopte landen van de wereld? Feller verhaalt van zijn entree op het wereldtoneel, midden jaren negentig in Koeweit. Via-via, zoals dat gaat. Feller ontmoette een vluchteling uit Koeweit die aan de Golfoorlog was ontsnapt, en werkzaam was geweest op het Koeweitse sportministerie. Hij tipte Feller om in contact te treden met de sjeik, want het land zocht een coach voor het jeugdelftal. Binnen een week meldde Feller zich aan de poorten van het paleis, en was de zaak beklonken. Bovendien nam hij in het woestijnland het eerste elftal van Qadisia op zijn schouders, de club waarmee hij – tegen alle verwachtingen in – het finest hour van zijn loopbaan zou beleven: in 1998 won hij met Qadisia de fameuze Arab Club – de tegenhanger van de Champions League in de Arabische wereld – door in de finale het uit Qatar afkomstige Al Rayan te verslaan. Ons kent ons in Arabië: bij Al Rayan spelen inmiddels ook de gebroerders-De Boer, Willem Leushuis (voormalig FC Eindhoven) volgde Feller op in Koeweit, terwijl ook Gerard van der Lem door hem in de Arabische wereld werd geïntroduceerd. “En op recepties liep ik ook regelmatig Rinus Israel tegen het lijf.” Een andere receptie, in de lente van 2004, geeft een onverwachte draai aan de loopbaan van Feller: de ambassadeur in Eritrea polste hem voor een positie als bondscoach in Asmara. Dat leek hem wel wat. “Ik zie mijn loopbaan als een avontuur, ik wil me laten verrassen. In Koeweit heb ik het hoogste gehaald wat er te halen was.” Voor deze editie van Trainerstaal is gebruik gemaakt van een artikel van Paul vd Broek dat eerder verscheen in Nummer 14.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.