Bart van Veen is hoofdtrainer bij zondag hoofdklasser Be Quick 1887 in Groningen. De in Hoogezand woonachtige trainer was daarvoor trainer bij Hoogezand (jeugd), sv Mussel en GRC Groningen. In het dagelijks leven is hij Hoofd Engineering bij GTI. Daarnaast vond hij de afgelopen periode tijd om de studie MBA Sport Management te volgen. In het tweede jaar schreef hij een scriptie over de talentontwikkeling van E- en D-pupillen. Hij is daartoe onder meer te rade gegaan bij de profclubs RBC Roosendaal, AGOVV/Vitesse, FC Groningen, sc Heerenveen, RKC Waalwijk en Willem II.

Talentontwikkeling bij E/D-pupillen

Bart van Veen: “De KNVB heeft een aantal jaren geleden de opzet aangegeven voor het opzetten van jeugdafdelingen bij betaald voetbalorganisaties. Het idee is dat door de bundeling van talent en de aanwezige kennis en middelen het jeugdvoetbal een enorme positieve ontwikkeling zal gaan doormaken en het gemiddelde niveau in Nederland omhoog zal gaan. Op grond hiervan is elke betaald voetbalorganisatie begonnen met het opzetten van een jeugdopleiding en is in de loop der jaren de jeugdafdeling zodanig opgezet dat de betaald voetbalorganisaties vanaf de D-junioren de opleiding starten. De verenigingen hebben ook E-junioren en F-junioren.

Om te kunnen vergelijken welke jeugdopleidingen het beste zijn toegerust is een certificeringsysteem opgezet. Dit systeem beoordeelt op diverse zaken de kwaliteit van de jeugdopleiding en het resultaat daarvan bepaalt hoeveel jeugdteams van de betaald voetbalorganisatie mogen deelnemen aan de landelijke jeugdcompetities. Een belangrijke weegfactor hierin is het niveau waarop de jeugdteams spelen.

Op dit moment presteren de nationale jeugdteams tijdens internationale competities goed en als nooit tevoren. Door prominente personen, zoals jeugdbondscoach Foppe de Haan, wordt gesteld dat dit komt door de verbeterde jeugdopleidingen in het betaald voetbal. De ingezette weg van een jeugdopleiding bij elke betaald voetbalorganisatie wordt op dit moment verdrongen door de tendens dat meerdere betaald voetbalorganisaties samen een jeugdopleiding verzorgen. Het argument dat naar voren gebracht wordt is dat hiermee een verbetering van de kwaliteit gerealiseerd kan worden, terwijl de werkelijke reden van deze samenwerking vaak gelegen is in het financiële vlak.

Deze gegevens, gecombineerd met mijn denkbeeld dat het op te jonge leeftijd bij elkaar brengen van talenten een belangrijke ontwikkeling voor een teamsporter belemmerd wordt, vormen de moverende redenen voor mij om dit onderzoek te gaan verrichten. Ik heb daarvoor de volgende probleemstelling opgesteld: Hoe ziet de organisatie van een voetbalopleiding eruit ten behoeve (van een verbetering) van het talentontwikkelingsproces in de leeftijdscategorie van 8 t/m 11 jaar?

Samenvatting

De samenvatting van het onderzoek van Bart van Veen luidde: ‘Het betaald voetbal in Nederland heeft voor het blijven spelen van een vooraanstaande rol in het internationale voetbal baat bij een jeugdopleiding. Momenteel staat de jeugdopleiding internationaal goed aangeschreven. Echter, men blijft op zoek naar verbetering. Op basis van het zoeken naar verhoging van het niveau heeft men gekozen voor het selecteren en spelen met D- en E-junioren met dezelfde organisatiewijze als voor de hogere leeftijdsgroepen.

De vraag luidt: ”Is dit nu de juiste insteek of is een andere keuze beter?” Het onderzoek is onderverdeeld in een theoretische onderbouwing en een inventarisatie binnen het werkveld. De theoretische onderbouwing is belicht op: – ontwikkelingspsychologie; – motoriek en leerpsychologie. De inventarisatie van het werkveld is uitgevoerd door het houden van een interview bij zes jeugdopleidingen van betaald voetbalorganisaties. Het interview heeft zich toegespitst op de volgende onderwerpen:

  • scouting
  • jeugdopleiding
  • beoordeling
  • uitstroom jeugdopleiding
  • ontwikkelingen

Het onderzoek heeft de volgende resultaten opgeleverd:

  • bij scouting wordt veelal gekeken naar het huidige presteren
  • het huidige presteren biedt geen zekerheid over het te bereiken individueel niveau
  • de omgeving van het kind bepaalt de ontwikkelingskans van het aanwezige talent
  • het kind leert door communicatie met zijn omgeving
  • kinderen hebben bevestiging nodig van presteren en een goede balans tussen hoop op succes en vrees voor mislukking
  • gelijkwaardige groepen zijn de basis voor het ontwikkelen van spelers
  • samenwerking kan doorbraak betekenen, zodat meer kinderen kans krijgen zich te kunnen ontwikkelen tot betaald voetballer
  • huidige cultuur staat samenwerking in de weg.

Realisering van een groter aanbod van goede jeugdvoetballers die geschikt zijn voor het betaalde voetbal kan verwezenlijkt worden door

  • de cultuur binnen het voetbal, voor de leeftijdsgroep van 8 t/m 11 jaar, om te turnen naar openheid en samenwerking
  • samenwerking betaald voetbalorganisaties onderling en met amateurverenigingen
  • de kennis en middelen aan te reiken aan een grotere groep spelers die zodoende de mogelijkheid krijgen het eigen talent te ontwikkelen
  • de initiërende rol bij de betaald voetbalorganisatie te leggen, waarbij deze dit dient te laten plaatsvinden middels een coördinatiemechanisme
  • invoering van het nieuwe model in de regio’s met de laagste concurrentiedruk.’

Conclusies

Bart van Veen: “Samenwerking kan de doorbraak betekenen. De samenwerking is gericht op een betaald voetbalorganisatie en een aantal amateurverenigingen in zijn directe omgeving. Ook een samenwerking tussen de betaald voetbalorganisaties onderling is van belang voor het slagen van de doorbraak. Door de bundeling van de kennis en middelen van de betaald voetbalorganisaties en de grotere en stabiele amateurverenigingen is het mogelijk om veel meer spelers in de leeftijd van 8 t/m 11 jaar een goed klimaat aan te bieden. Door de keuze voor een aantal amateurverenigingen zal er sprake zijn van bundeling van talenten, hierdoor zal het onderlinge verschil in de selectie niet te groot zijn.

De inbreng van de betaald voetbalorganisaties zorgt dat de inhoud van de opleiding op het gewenste niveau van het betaald voetbal ligt. Doordat er in een regio meer gelijkwaardige teams zijn zal de competitie evenwichtiger worden en de weerstand in wedstrijden gemiddeld genomen hoger liggen. Tegenstanders van deze zienswijze kunnen aanvoeren dat de betere spelers zich minder gaan ontwikkelen omdat het gemiddelde niveau in een selectie lager zal liggen. Ten eerste is dit niet wetenschappelijk bewezen en ten tweede geldt dit ook voor de huidige werkwijze. De beste speler in een selectie is altijd de maat voor de overige spelers.

Op dit moment worden voor deze spelers mogelijkheden geschapen om ze uitdagingen aan te bieden, bijvoorbeeld het meetrainen met een naast hogere selectie, zodat zij zich technisch en tactisch kunnen ontwikkelen. Echter, er zijn in het nieuwe systeem meer spelers die een dragende speler zijn voor een team op een hoog niveau met weerstand tijdens elke wedstrijd. Zo wordt het nemen en dragen van verantwoordelijkheid gestimuleerd en ontwikkeld bij beduidend meer spelers dan in de huidige situatie. Dit is een pluspunt in de opleiding tot een complete betaald voetbalspeler.

De genoemde samenwerking is binnen de huidige cultuur niet direct gerealiseerd. Op dit moment strijdt iedere betaald voetbalorganisatie, ondanks het geuite brede doel van opleiden, voor zichzelf. Een ieder wil de beste talenten aan zich binden. De keuze voor een aantal amateurverenigingen zorgt voor onrust en onbegrip bij de niet gekozen amateurverenigingen. Veel betaald voetbalorganisaties hebben de afgelopen jaren gekozen voor het opbouwen van relaties met alle amateurverenigingen. Het duidelijk maken van de nieuwe keuze en een transparante uitleg over de achtergronden van die keuze en over de beperkingen hiervan zal bijdragen aan meer begrip.

Nieuw model talentmanagement 8–11 jaar

Hoe kun je de bevindingen vanuit het onderzoek vertalen naar een praktische invulling?

Bart van Veen: “Belangrijkste pijler voor de praktische invulling is dat er voldaan moet worden aan het vergroten van de groep voetballers die kunnen trainen en spelen conform een kwalitatief goed en uitgebalanceerd jeugdopleidingsplan. Hierbij is rekening te houden met de huidige structuur, cultuur en beschikbare middelen. Dit alles meenemende kom ik tot het idee dat de betaald voetbalorganisaties geen eigen E- en D-junioren teams in de competitie hebben, maar de kennis en beschikbare middelen benutten voor het ondersteunen van 4 – 6 amateurverenigingen in de directe omgeving.

Het genoemde aantal van 4 – 6 clubs is niet onderzocht, maar betreft een inschatting van wat mogelijk is. Gezien de geografische spreiding van de betaald voetbalorganisaties is het te verklaren dat de aantallen gaan afwijken. In de Randstad en Noord-Brabant is de dichtheid van betaald voetbalorganisaties zo groot dat de betaald voetbalorganisaties dienen af te stemmen welke amateurverenigingen door wie ondersteund worden. Er wordt nu veel tijd, geld en middelen ingezet om elkaar te beconcurreren, terwijl men desondanks allemaal eigen selecties heeft spelen. Kortom, elkaar verslaan lukt niet daarom is het misschien verstandig om te gaan samenwerken. Bij deze leeftijdsgroep moet dat kunnen in het kader van de door een aantal betaald voetbalorganisaties geformuleerde subdoelstelling: ‘Verantwoordelijkheid nemen voor het Nederlands voetbal’.

De amateurverenigingen en betaald voetbalorganisaties zijn zelfstandig opererende organisaties. Gezien de verschillen in doelstellingen tussen amateurverenigingen en betaald voetbalorganisaties is het niet verstandig dat er formele verbindingen worden gelegd. In mijn optiek zal er dan ook sprake zijn van een coördinatiemechanisme. De betaald voetbalorganisatie stelt kennis en middelen ter beschikking aan de amateurverenigingen. Voor de transparantie stel ik voor dat de KNVB criteria opstelt waaraan de amateurvereniging dient te voldoen. Criteria die hierbij een rol spelen zijn consistentie in beleid, beschikbaarheid van de benodigde materialen en trainingsruimte, opzet en visie van de jeugdopleiding, etc. De coördinatie ligt in de handen van de betaald voetbalorganisatie. Deze rol van spin in het web geldt voor de betreffende elftallen in de leeftijd van 8 t/m 11 jaar.

Gezien de huidige organisatiegraad en het historische perspectief is het mogelijk dat een betaald voetbalorganisatie wel een eigen E- en/of D-junioren team in de competitie houdt. Aandachtspunt is dan wel dat een dergelijk team qua scouting en begeleiding in lijn komt met de te ondersteunen amateurverenigingen. Belangrijke vraagstelling is in hoeverre dit nieuwe model tegemoet komt aan de geconstateerde knelpunten in het huidige model. Doordat de talenten in de leeftijd van 8 t/m 11 jaar niet meer geselecteerd worden door de 36 jeugdopleidingen van de betaald voetbalorganisaties maar door een kleine 200 verenigingen die qua opleiding dezelfde kwaliteit en kwantiteit ter beschikking stellen van deze talenten worden een aantal geconstateerde knelpunten sterk afgezwakt.

Hierbij valt te denken aan het feit dat talentherkenning is gebaseerd op het huidige presteren en geen goede indicator is voor later succes. Verder valt er te denken aan het gegeven dat talent onopgemerkt blijft door de huidige werkwijze bij talentherkenning. Het nieuwe model op zich biedt op zich geen oplossing voor deze twee geconstateerde knelpunten. Echter doordat er een grotere groep de kans krijgt om een kwalitatief goede jeugdopleiding te doorlopen zal het effect van de knelpunten minder zwaar wegen. Verder is het zo dat de kinderen meer in de directe omgeving blijven waardoor het minder ‘erg’ voor deze kinderen is indien ze onverhoopt niet doorgroeien en afvallen als ze C-junior worden. Doordat de opleidingen bij de amateurverenigingen plaatsvinden is te verklaren dat bij deze amateurverenigingen het algemene niveau zowel voetbaltechnisch als organisatorisch verhoogd wordt.”

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.