De buitenspelval is destijds in het leven geroepen om het voetbal aantrekkelijker te maken. Voor aanvallers geeft ze een mogelijkheid om op snelheid12080348_1231522323539925_3800986560449028157_o de verdediging van de tegenstander in de wind te zetten en verdedigers kunnen mits een goede opstelling een aanvaller de doorgang beletten. Maar hoe haal je er precies voordeel uit, wanneer pas je de buitenspelval toe, hoe kun je hem omzeilen en vooral: hoe train je het? Bob Browaeys, Sporttechnisch Coördinator van Voetbalfederatie Vlaanderen, en derde met België onder 17 op het recent gespeelde jeugd-WK, geeft inzicht in deze complexe materie. Een fragment uit het artikel: Druk op bal Bob Browaeys: “Het is de hoogte van de achterste lijn die bepaalt hoeveel ruimte er in de rug is. Als je als team hoog verdedigt, is de kans vanzelfsprekend veel groter dat je de buitenspelval gebruikt. Hoe lager je verdedigt, hoe preciezer de doorsteekpasses van het aanvallende  team moeten zijn om die buitenspelval te omzeilen. Dus als je achterste lijn op de rand van het zestienmetergebied staat, is er in principe geen doorkomen aan, te meer ook de doelman een bepaalde zone bestrijkt waar hij de bal in de handen kan nemen. Dus naast de dieptepass en de loopactie van de tegenstander moet de verdediger ook rekening houden met zijn positie ten opzichte van enerzijds de middenlijn en het zestienmetergebied en anderzijds zijn keeper. Als verdediger is het de kunst om de zone tussen jezelf en je keeper verdedigbaar te maken zodoende dat de aanvaller daar niet als eerste op de bal kan zijn. Dat is iets wat je moet leren aanvoelen. In mijn ogen bepaalt dit het verschil tussen een topper en een subtopper. Een topverdediger kan elke ruimte in zijn rug verdedigen. Een verdediger die dit niet aanvoelt en te pas en te onpas uitstapt of meeloopt met zijn aanvaller in de diepte, zal geen topper worden. Belangrijk is: wordt er drukgezet op de bal of niet? Wanneer er voldoende pressing is op de tegenspeler in balbezit – individueel of collectief – dan kan die geen gevaarlijke diepe pass geven en kan je als verdediger de aanvaller vrij laten lopen. Een niet te onderschatten punt is dat in zo’n situatie de defensie de ruimte zo beperkt mogelijk houdt die ontstaat tussen het blok dat drukzet en de achterste linie. Als je als verdediger achteruit loopt, dan ontstaat er ruimte vóór je waarin de tegenstander kan voetballen. Een compact blok zetten is dus de boodschap. In het andere geval, wanneer er geen druk wordt  uitgeoefend op de tegenstander in balbezit, dan moet je als verdediging achteruit richting eigen doel lopen. Op zo’n moment moet je als centrale verdediger denken als een aanvaller. Zo is de kans groter dat je juist anticipeert. Daarbij is het belangrijk dat je juist ingedraaid staat en dat je – afhankelijk van je eigen snelheid – toch een klein beetje voorsprong hebt op de aanvaller.” Wilt u het gehele artikel lezen en/of abonnee worden op de printuitgave van De Voetbaltrainer, klik hier.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.