Na onder meer een lange loopbaan bij de KNVB en een tweejarig assistentschap onder Louis van Gaal bij Manchester United is Albert Stuivenberg inmiddels ruim een half jaar trainer van het Belgische Racing Genk. Kort voor de voorbereiding begon, sprak de redactie van dit vakblad in Ridderkerk met Stuivenberg over positiespel. In dit online artikel vind je enkele hoofdpunten uit dit gesprek.

Van A naar B

Albert Stuivenberg: ‘In de Nederlandse cultuur wordt op de trainingen vaak een positiespel georganiseerd in een afgebakende ruimte waarbij de richting ontbreekt. Het doel is meestal de bal houden onder weerstand van een team dat probeert de bal te veroveren. In dit soort vormen kun je wel degelijk de onderlinge afstemming en communicatie verbeteren. Maar doordat het spel niet van A naar B gaat, ligt het verder van de echte wedstrijdsituatie af. Dat is een belangrijk verschil met het positiespel binnen een partijspel. In een partijspel krijgt het positiespel richting (zowel aanvallend als verdedigend) omdat je kunt scoren en daardoor het spel wel van A naar B gaat en andersom.

Ikzelf gebruik positiespelen zonder richting feitelijk alleen als uitbreiding van de warming up, het lopen zonder bal. Ik kies daar over het algemeen eerder voor dan de eerdergenoemde pass- en trapvormen. Binnen het positiespel is er een keuze-element doordat je tegenstanders en medespelers je dwingen om samen te werken en de onderlinge handelingen af te stemmen. De tijd- en ruimtelijke factoren als positie, richting, snelheid en moment krijgen meer betekenis dan in een pass- en trapvorm. Maar uiteindelijk is het nog steeds een ander soort vorm dan wanneer je van A naar B moet en kunt scoren.’

Vrij spel

‘Binnen onze principes in het aanvallen is het bijvoorbeeld van belang om 2:1-situaties te creëren en te kunnen uitspelen. Om een 2:1-situatie te kunnen creëren is het regelmatig van belang dat je als balbezittende speler kunt indribbelen en de tegenstander kunt opzoeken om hem samen met een medespeler uit te spelen. Je dwingt de tegenstander dus om een keuze te maken. Stel nu dat ik een positiespel geef waarin ik de beperking aanbreng dat spelers maar een of twee keer mogen raken, dan wordt het al erg lastig om binnen dat positiespel een dergelijk principe te ontwikkelen. Ik geef dus vaak spelers vrij spel omdat ze moeten leren om de bal het aantal keer te raken dat nodig is in de situatie. Soms is dat een of twee keer maar indien hij initiatief kan nemen om een 2:1-situatie te creëren, moet hij ook kunnen indribbelen en dus de bal vaker kunnen raken dan een of twee keer.’

11:11

‘Ik vind 11:11 een hele goede vorm maar gek genoeg zie je dat het spelers snel kan gaan vervelen wanneer je vaak 11:11 speelt. Immers, de leermomenten komen daarin gewoon minder vaak voor, dat is logisch. Dus ik gebruik deze vorm meestal pas na het veelvuldig oefenen vanuit een vereenvoudiging (het toepassen in de wedstrijd) en in directe relatie tot de volgende wedstrijd. Stel dat we zaterdag spelen, dan hebben we op donderdag de videoanalyse van de tegenstander. Daarop gebaseerd trainen we dan 11:11, met als uitgangspunt: wat hebben we gezien en wat betekent dat voor ons in kansen en bedreigingen, met als basis wel altijd onze eigen spelprincipes. Ook de dag erop doen we dan nog een deel in 11:11, waarbij ik er vaak voor kies om het spel steeds vanaf een bepaalde spelhervatting te laten beginnen. Maar op vrijdag houd ik het voor wat betreft 11:11 beperkt qua tijd.’

AA Gent

‘De ploeg die me vorig seizoen in ons Europa League-seizoen het meest is bijgebleven, is AA Gent. Zij hadden een speelstijl waarin ze vaak met drie achteraan opbouwden, twee centrale middenvelders, heel diepe wingsbacks en twee buitenspelers die ver naar binnen speelden. Wij kwamen daardoor voor belangrijke keuzes te staan. Zij probeerden vaak met een gerichte pass de spits in te spelen, die de bal dan in één keer doorstak op een diepgaande buitenspeler die dus ver aan de binnenkant speelde.

Wij bespeelden dat door met onze back verder naar binnen te komen, maar je begrijpt dat daardoor weer meer ruimte ontstond voor de wingback. Het is een speltype dat ook Chelsea het afgelopen seizoen vaak met succes heeft toegepast (zoals te lezen in deze analyse van Chelsea, red.). Ook dat soort spel versta ik onder positiespel. Immers, het gaat om handelingen ten opzichte van elkaar. Heel interessant. Voor mij is het in dat soort situaties altijd belangrijk dat we de tegenstander op een dusdanig manier bespelen, dat we er zelf ook aanvallend nog iets aan overhouden. In dit geval kon ik de keuze maken om mijn buitenspeler Jean-Paul Boëtius met de wingback mee te laten lopen. Doe ik dat, ben ik hem in de aanval echter kwijt. Dus we hebben besloten dat hij juist, vanuit de lijn met de wingback, druk moest uitoefenen op de rechter centrale verdediger van Gent. Veroverden we daarna ergens op het veld de bal, stond hij daarmee 1:1 tegen die centrale verdediger (zie afbeelding bovenaan). Op deze wijze hebben wij uiteindelijk van Gent kunnen winnen.’

Wil je het gehele artikel lezen? Bestel dan onze special over positiespel in de webshop. Door je te abonneren op ons vakblad lees je iedere zes weken uitgebreide interviews met toptrainers en amateurtrainers uit binnen- en buitenland. De trainingsvormen die Stuivenberg beschrijft, zijn terug te vinden in onze TrainingsPlanner, waarop je je voor 75 euro per jaar abonneert.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *