Elke trainer krijgt vroeg of laat te maken met een enfant terrible, een eigenzinnige speler die lang niet altijd in de pas loopt. Vaak is dit iemand die in de wedstrijd het verschil kan maken, maar je wilt niet dat zijn gedrag het teamproces verstoort. Hoe ga je als trainer om met zo’n moeilijke jongen? Sportpsycholoog Ivo Spanjersberg laat zijn licht erop schijnen.

Soms heb je in je team een speler wiens gedrag een continue bron van zorg is. Hoe pakt een trainer-coach dit aan?

Ivo Spanjersberg: ‘De trainer-coach moet eraan werken juist met dit soort spelers een vertrouwensband op te bouwen. Lukt dit, dan is het vaak beter mogelijk om moeilijke onderwerpen met elkaar te bespreken. Kortom, zorg ervoor dat je te weten komt wat hem beweegt, waaróm hij zich zo gedraagt.

Verder kan de trainer-coach in zo’n geval het best volstrekte duidelijkheid scheppen. Je kijkt goed welk gedrag hij vertoont en op welke vlakken hij het risico loopt uit de bocht te vliegen. Daar stuur je hem op aan: dít mag wel, dát mag niet. En je geeft duidelijk aan wat de consequenties zijn indien hij iets doet wat niet geoorloofd is. Dat hoeft niet direct te betekenen dat je afscheid van hem neemt. Dat kan ook een andere maatregel betreffen. Denk aan een elftal lager spelen, tot hij duidelijk verbetering heeft getoond.

Het is als coach goed om hard te zijn op het gedrag, maar empathisch ten opzichte van de mens. Als je weet waarom iemand bepaald gedrag vertoont, is het makkelijker om daar adequaat op te reageren. Bovendien moet je in je afweging meenemen of het de eerste keer is dat iemand dit gedrag vertoont of de zoveelste keer.

Ook is het handig van tevoren de gevolgen van jouw interventies af te wegen voor wat betreft het teamproces. Welke impact heeft jouw actie (straf of juist niet) op het team en soms zelfs op de omgeving daarbuiten. Een voorbeeld van een verkeerde interventie is wat mij betreft het toch opstellen van Utrecht-speler Anouar Kali, nadat hij daags voor de wedstrijd tijdens een training zijn teamgenoot had geslagen. De louter financiële straf werd door het eigen publiek niet gepikt en Kali werd door hen uitgefloten.’

Ook al maak je afspraken, dat betekent nog niet dat de speler zich er ook aan kan houden. Hoe kan de trainer hem hierbij het best terzijde staan?

Ivo Spanjersberg: ‘De coach kan de speler helpen bij het maken van een plan om te leren zich aan de regels te houden. Vaak worden er wel regels gesteld maar verder niets. Als je echt wilt dat je speler zich anders gaat gedragen, zal die speler op zijn minst een gedragsalternatief moeten ontwikkelen. Dan is het goed als iemand met de benodigde kwaliteiten hiervoor, niet noodzakelijkerwijs de hoofdcoach, met de speler gaat zitten om in kaart te brengen welke situaties ‘risicovol’ zijn. En hoe een speler die situaties vroegtijdig kan herkennen (in zijn omgeving en bij zichzelf) en welke andere keuzes er te maken zijn. Dit geeft natuurlijk geen garanties maar vergroot de kans op succes.

De ‘moeilijke jongens’ hebben ook vaak een extra schouderklopje nodig als ze onder druk staan of bestraft worden. Geef dat dan ook als coach, liefst voor het gedrag dat je graag wilt zien. Dus niet voor die twee doelpunten, maar juist voor die keer dat je zag dat hij zich inhield toen hij van achter werd geschopt en er niet voor werd gefloten.’

Hoe ga je als trainer om met het totale team wanneer een speler zich zo nadrukkelijk buiten de regels gedraagt?

Ivo Spanjersberg: ‘Ik zou hierin graag een tweedeling maken: zaken die rechtstreeks sportgerelateerd zijn (bijvoorbeeld: de sporter misdraagt zich op een training) of niet direct sportgerelateerd (de speler heeft zich in privétijd niet gedragen). In het laatste geval zou ik kiezen voor de benadering een-op-een. Het raakt de speler in zijn persoonlijke leven. Door dit ‘in de groep’ te gooien, verdwijnt de veilige omgeving van de betreffende speler. Misdraagt de speler zich bijvoorbeeld tijdens een training, kan het juist belangrijk zijn dit in de groep bespreekbaar te maken. En soms moet dit ook wel, omdat je als trainer ook je positie en autoriteit moet bewaken.’

Hierboven is een gedeelte beschreven van een artikel uit De Voetbaltrainer 220. Daarin gaat Ivo Spanjersberg nog iets dieper op de materie in en komt ook trainer Willem den Besten aan het woord over het omgaan met een enfant terrible in de trainerspraktijk. Wil je je abonneren op ons vakblad en acht keer per jaar 84 pagina’s boordevol interviews en oefenstof ontvangen? Abonneer je dan via deze link.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *