In De Voetbaltrainer 223 ging Arne Slot, toen nog in dienst van SC Cambuur, uitgebreid in op zijn speelwijze aanvallend. Mede op basis van het interview in De Voetbaltrainer besliste AZ om hem als assistent-trainer in huis te halen. Hieronder vind je het gedeelte van het interview waarin Slot ingaat op diepteloopacties achter de verdediging van de tegenstander.

Met aanloop

‘Diepgang is een heel effectieve manier om gevaar te stichten. Zeker als het startpunt, de richting en de timing van de loopacties in de diepte in orde zijn. We trainen er heel veel op en ik geef spelers duidelijke richtlijnen mee over de manier waarop ze diepgaan.
 Een van de belangrijkste aanwijzingen die ik geef, is dat de diepgang altijd ‘met aanloop’ moet zijn. Ik wil niet dat een speler precies op randje-buitenspel staat, met zijn hand wijzend in de diepte. Je kunt in dat geval pas gaan lopen als de bal al onderweg is, want anders sta je buitenspel. Je moet dus nog op snelheid komen en kunt geen voorsprong pakken. Ga je diep met aanloop, dan registreert een medespeler je loopactie beter, omdat je een volle sprint inzet.
 Als de pass op het juiste moment komt, ben je niet te achterhalen.

Daarnaast is het belangrijk dat je buiten het gezichtsveld van de tegenstander diepgaat. Als je voor hem langs loopt, ziet hij je en kan hij ook gaan sprinten, of je opvangen met lichamelijk contact. Loop je buiten zijn gezichtsveld weg, dan is hij je kwijt. Ook het moment is cruciaal: als diepgaande speler moet je gaan lopen als je verwacht dat de ‘aanloop’ die je neemt je medespeler aan de 
bal genoeg tijd biedt om de bal aan 
te nemen en diep te spelen. Daarin mag best wat marge zitten: je medespeler hoeft de pass niet precies op het snijpunt met de buitenspellijn te versturen. Twee meter daarvoor is ook prima, want je bent op volle snelheid. Je moet als diepgaande speler dus inschatten hoeveel tijd je medespeler nodig heeft om de bal aan te nemen en te passen. Hij moet daarbij altijd richting de goal lopen en niet richting de achterlijn. Vaak loopt hij dus in
 een schuine lijn.

De speler aan de bal schat vervolgens in waar hij de bal precies moet neerleggen. Dat is nog een hele kunst, maar als het lukt, creëer je direct een grote kans. Een stelregel is dat de bal beter iets te hard kan zijn dan te zacht, want anders kan de verdediger de bal onderscheppen en een counter inzetten. Ben je verder van de goal 
af, dan kan de bal wat meer ‘op zeker’ worden gegeven, eventueel met een stuit erin. Maar dichtbij de goal moet de bal perfect in de loop zijn en worden gegeven als de aanvaller het snijpunt met de buitenspellijn bereikt. Dat zie je vaak bij FC Barcelona, tegen een tegenstander die ver inzakt: die ballen worden precies op de juiste snelheid in de juiste richting gegeven. Barcelona is de grootmeester in het spelen van diepte: er zijn constant spelers onderweg.’

In dit voorbeeld uit onze Mediatheek toont Villarreal een perfect voorbeeld van diepgang zonder bal.

Juiste moment

‘Over het algemeen geldt: een medespeler moet tijd en ruimte hebben om de pass te geven én de afstand tussen de loper en de passer moet niet te groot zijn. Staat de speler aan de bal onder druk, dan heeft het weinig zin om te gaan lopen. Datzelfde geldt als de afstand van passer tot ontvanger vijftig tot zestig meter is.

Daarnaast is er aantal situaties waarin ik wil dat er áltijd spelers diepgaan. Als de bal op de linkervleugel is en een speler in de linker half-space aangespeeld wordt, dan móet er altijd diepte zijn aan de rechterkant (afbeelding rechtsboven). Op voorwaarde natuurlijk dat er tijd en ruimte is voor de pass en de afstand tot de ontvanger niet te groot is. Welke speler diepgaat, maakt niet uit. Soms de rechtsbuiten, zoals in de tekening, een andere keer de rechtshalf. Verplaatsen we de bal over de grond naar de rechterkant, dan gaat de back lopen voor de overlap.

Spelen wij iemand vrij in de hotzone met zijn gezicht naar de goal, dan moeten er zelfs altijd minimaal twee spelers diepgaan. Allereerst een speler aan contrazijde. Ligt de bal iets rechts van het midden, dan betekent dat diepte aan de linkerkant. Daarnaast wil ik zien dat de spits de Luis Suárez-loopactie maakt: tussen beide centrumverdedigers in, in de rug van de centrale verdediger aan balkant (afbeelding onder). Zo kan de spits de bal meekrijgen richting het doel.

Overigens moet je als middenvelder of buitenspeler niet alléén maar diepgaan, want dan word je heel voorspelbaar. Stel dat de rechtshalf loert op diepte als de linkshalf aan de bal is, en de nummer 4 van de tegenstander kijkt hem recht in de ogen aan. Dan heeft het weinig zin om te gaan, want dan word je gemakkelijk opgevangen. Je kunt er in dat geval bijvoorbeeld voor kiezen om aanspeelbaar te worden op het middenveld. Ga je diep en ontvang je de bal niet, dan verwacht ik altijd dat je terug in de hotzone komt. Daar kun je weer aanspeelbaar worden of opnieuw met aanloop diepgaan.

Een derde vaste situatie waarin ik altijd diepte wil zien, gaat als volgt. De bal is aan de zijkant, laten we zeggen bij de rechtsvoor. Hij zoekt de as op door een middenvelder in te spelen. Die draait open en verplaatst het
 spel naar links, met een pass op de linksvoor, die iets naar binnen is gekomen. Dat is altijd het moment voor de linksback om de overlap te maken en diep te gaan. Daarbij is het belangrijk dat hij al herkent dat het spel wordt verplaatst, zodat hij alvast kan gaan lopen.’

Trainingsvorm

‘Een trainingsvorm die daar goed bij past, is een vorm 7:6 + keeper, waarin een aantal vastigheden zit (afbeelding 8a). We starten bij de 8, die de 11 inspeelt. Op dat moment dekt de rechtsback van de tegenstander door en assisteert de rechtshalf hem door te dubbelen. Onze 8 zakt uit en krijgt de bal terug. Op dat moment stapt
 de rechter centrumverdediger van de tegenstander uit, omdat onze 8 anders zo door kan lopen richting de goal. Hij heeft vervolgens drie keuzes, afhankelijk van wat de tegenstander doet.

Loopt de linker centrumverdediger van de tegenstander met onze 9 mee, en de linkshalf met onze 10, dan komt onze 6 vrij (afbeelding 8b). Hij krijgt de bal, speelt 7 aan, waarna onze 2 de overlap maakt. Hij start al als hij ziet dat de bal van links naar rechts verplaatst gaat worden. Loopt de linkshalf van de tegenstander niet met onze 10 mee (afbeelding 8c), dan spelen we een diepe bal op de diepgaande 10. Herkent de linker centrumverdediger van de tegenstander dit (afbeelding 8d), dan komt onze 9 vrij met de Suárez-loopactie. Op deze manier trainen we drie patronen ineens, afhankelijk van de keuzes die de linker centrumverdediger en linkshalf van de tegenstander maken.’

Deze trainingsvorm vind je via deze link terug in onze TrainingsPlanner, uitgewerkt in doel, organisatie, inhoud, coaching en methodiek.

Wil je elke zes weken volledig op de hoogte gehouden worden van alle nieuwste ontwikkelingen op het gebied van speelwijze, coaching en oefenstof? Abonneer je dan op ons vakblad. Ben je op zoek naar beeldmateriaal van diepgang zonder bal in wedstrijdsituaties, om zelf te bekijken of aan spelers te laten zien, dan kun je terecht in onze Mediatheek.