Stel, je besluit als club of jeugdopleiding te gaan werken met spelprincipes als basis voor speelwijzeontwikkeling. Hoe pak je dit vervolgens aan? Hoe vertaal je dit plan naar de praktijk? Bij Sparta Rotterdam liepen ze precies tegen dit vraagstuk aan. Jeugdtrainer Pjotr van der Marel vertelt hoe men dit bij zijn club aanpakte.

Spartaanse principes

Pjotr van der Marel: ‘Bij het formuleren van spelprincipes zijn we heel gericht te werk gegaan. We hebben er bewust voor gekozen om, in plaats van principes top-down te implementeren, de trainers optimaal deelgenoot te maken van het proces. Er zijn diverse sessies georganiseerd, waarin we met trainers van de onderbouw hebben gediscussieerd over wat we bij Sparta belangrijk vinden. In een woordweb is van alles komen te staan wat met aanvallen, verdedigen en omschakelen te maken heeft.

Vanuit deze brainstorm hebben we geprobeerd om punten te clusteren tot een principe. En daarbij zijn we ook van onze missie en visie uitgegaan. Zo willen we bij Sparta attractief spelen en strijdvaardig zijn. Hetgeen uit de brainstorm kwam, hebben we als het ware naast onze missie en visie gelegd. Pas dan kun je komen tot een omschrijving van principes, die passen bij wat je als club wilt. In ons geval dus: Spartaanse principes. Uiteindelijk hebben we de gekozen principes nog eens verder uitgewerkt, voor zowel linie als individu.’

Beperken

‘Uiteindelijk zijn we, in samenspraak met Hoofd Jeugdopleidingen Dolf Roks, gekomen tot elf principes. Deze elf principes zijn verdeeld over de teamfuncties aanvallen (vier), verdedigen (vier), omschakelen van aanvallen naar verdedigen (één) en omschakelen van verdedigen naar aanvallen (twee). Het is heel goed geweest dat we het hierbij hebben gehouden, want juist het beperken kent een aantal grote voordelen. Des te minder principes je hebt, des te eerder iets wordt herhaald. Die herhaling is, zeker in de onderbouw, heel erg nodig om verankering bij de spelers te bewerkstelligen.

Daarnaast is het aantal principes per teamfunctie voor spelers in de onderbouw nu goed te onthouden: als ik een speler zou vragen op welke vier zaken we letten bij het aanvallen, dan is de kans groter dat hij dat weet dan wanneer het om zes principes zou gaan. Tot slot werkt het beperken van het aantal principes ook voor ons als trainers heel goed. We worden ‘gedwongen’ om ons te richten op hetgeen er is afgesproken en dat geeft richting.

Ook in de keuze voor oefenvormen worden we tot nadenken aangezet, want er wordt bij Sparta Rotterdam altijd onder weerstand getraind. Als het bijvoorbeeld gaat over het principe ‘het creëren van de derde man’, dan moet de trainer proberen dat in een vorm met weerstand te gieten. Het gaat dan onder andere over de ruimtes, regels en uitdagingen voor elk individu. Deze trainingsvoorbereiding doet een trainer niet alleen, ook daar is samenwerking met andere trainers in de onderbouw van belang.’

Sluipen en proppen

‘Als je het hebt over principes, dan hoort daar ook de coaching van de trainers bij. Het spreken van de juiste taal, daar besteden we veel aandacht aan in de onderbouw: welke coaching heeft welke leeftijdsgroep nodig? Neem als voorbeeld het laag zitten binnen verdedigen, het door de knieën gaan. Bij de Onder 8 spreken we dan van ‘sluipen’, bij de Onder 11 wordt die term echter al niet meer gebruikt. Een ander voorbeeld binnen verdedigen draait om het principe ‘iedereen houdt de as dicht en maakt het veld klein’. Dit wordt door de spelers van de Onder 12 ‘proppen’ genoemd. Dat is een term die bij hen leeft en die nu ook door de trainer-coach tijdens wedstrijden wordt gebruikt. Op deze manier wordt een principe van de kinderen zélf, en is er dus op het gebied van de principes ook sprake van interactie tussen trainers en spelers. De terminologie kan per leeftijdsgroep verschillen, maar het principe blijft hetzelfde.’

Dit zijn enkele fragmenten uit een artikel in De Voetbaltrainer 233, een special over spelprincipes. Die kun je hier los bestellen. Via deze link abonneer je je op ons vakblad.