Als jeugdvoetbaltrainer werk je misschien met een jong team. Ook bij jonge kinderen vinden we het gewoon te spreken van een team, terwijl het misschien beter is om te spreken van groepje individuen dat geacht worden samen te spelen. Dat samenspelen en samenwerken is lang niet voor elk kind vanzelfsprekend. Onderlinge verschillen kunnen, zeker op het gebied van gedrag, groot zijn. Neem je dat gegeven voor lief of ga je actief met die verschillen aan de slag en probeer je elk individu zo goed mogelijk te bedienen? De Voetbaltrainer sprak voor De Voetbaltrainer 250 over deze vraag met Bart Schmeits. Het artikel gaat hier online nog een stukje verder.

Wat vraagt het werken met jonge kinderen van een trainer-coach?

Bij het trainen van jonge kinderen tot een jaar of tien:
• staat plezier voorop. Als trainer-coach zorg je voor plezier door passende oefeningen aan te bieden op de training.
• geeft de trainer-coach gehoor aan de bewegingsdrang van kinderen. Laat ze op vrije momenten hun gang gaan (radslagjes maken, hooghouden, een dolletje maken met elkaar).
• is het vasthouden van aandacht moeilijk. Houd daarom de uitleg kort en doe liever vijf oefenvormen van twee minuten die bijna hetzelfde zijn, dan één oefening van tien minuten.
• is het werken in dezelfde organisatie zeer gewenst en efficiënt. Het biedt houvast aan zowel de trainer-coach als aan de kinderen, en het stelt de trainer-coach in staat meer aandacht te schenken aan de kinderen zelf.
• beseft de trainer-coach dat er qua speelgedrag meerdere fases te onderscheiden zijn. Hiermee kan hij of zij rekening houden, door verschillende oefenvormen uit te zetten en te differentiëren tijdens de training. Kies dan voor oefenvormen die qua organisatie gelijk zijn, maar pas slechts één regel of de puntentelling aan.
• weet de trainer-coach dat kinderen vooral bezig zijn met ‘bewegen om het bewegen’. Geef daartoe expliciet dus weinig details. Een enkeling begint open te staan voor het ‘hoe’ van bewegen, dergelijke kinderen kunnen technische tips gebruiken.

Trainingstips

Ongeacht de fase van het speelgedrag, ligt de complexiteit van het trainen van jonge kinderen volgens Bart Schmeits vooral op organisatorisch vlak. Het vasthouden van aandacht is essentieel, want de spanningsboog is kort. Des te minder je hoeft te wijzigen aan de organisatie, des te soepeler het loopt. Staan spelers in de organisatie, dan houdt Schmeits zijn uitleg kort, laat kinderen niet te lang dezelfde oefening doen en probeert zo min mogelijk te schuiven met materiaal.

Aandacht

‘Door methodische stappen toe te passen, kun je jonge kinderen met gemak tien minuten aandachtig laten werken. Het gaat er daarbij om dat je probeert om zoveel mogelijk in dezelfde organisatievorm te werken. Dus ben je gestart met een pylon, probeer dat dan lang vol te houden door het aanbieden van steeds nét iets andere vormpjes. Of dat je in tweetallen werkt en dát lang probeert vol te houden door bijvoorbeeld in eerste instantie niet, maar daarna wél met een pylon te gaan werken. Om hier een voorbeeld bij te geven: stel je zet acht spelers met ieder één bal in een vierkant (tekening 7, red.), dan kun je ze:

  • twee minuten laten dribbelen met rechts
  • twee minuten laten dribbelen met links
  • twee minuten afwisselend laten dribbelen met links en rechts
  • twee minuten laten dribbelen met afwisselend links en rechts, waar tussentijds een kapbeweging in zit.

Ze komen er vaak wel om vragen

‘Al met al ben je in een en dezelfde organisatie al acht minuten bezig en dit is haalbaar. Bij elke stap is het geven van aandacht het belangrijkste: laat alle kinderen merken dat je ze gezien hebt. Dat kan op allerlei manieren, bijvoorbeeld met een complimentje, een aanwijzing of een grapje. Probeer daarnaast niet te veel expliciete aanwijzingen te geven, de meeste jonge kinderen zijn daar nog niet aan toe. Zij bewegen-om-het-bewegen. Zodra ze toe zijn aan technische aanwijzingen, dus aan het ‘hoe’ van het bewegen, dan komen ze er vaak wel om vragen.’

‘Zodra ze toe zijn aan technische aanwijzingen, dan komen jonge kinderen er vaak wel om vragen’

Al eerder bleek dat het concreet benoemen wat een kind van zes jaar of acht jaar zou moeten kunnen, lang niet altijd eenvoudig is. Want afgezien van de kalenderleeftijd ontwikkelen kinderen zich op verschillende vlakken en doen dat ook nog eens op verschillende snelheden. Schmeits doet ondanks die wetenschap een poging, maar benadrukt dat het hier gaat om algemeenheden.

Reageren naar aanleiding van dit artikel? Mail Bart Schmeits op info@besignificant.nl of vul het contactformulier in op www.besignificant.nl

Vakblad

De Voetbaltrainer is al 36 jaar hét vakblad voor de ambitieuze coach, met 80 pagina’s vol interviews, oefenstof en analyses. Word ook abonnee!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.