Een nieuwe boekenserie van de makers van dit vakblad richt zich op methodische stappen in oefenstof ter ondersteuning van het werken met spelprincipes. Een van de twaalf spelprincipes die uitgewerkt zijn, betreft het bewegen om je directe tegenstander kwijt te raken en/of aanspeelbaar te worden. Een voorpublicatie van een deel van dat hoofdstuk vormt de basis van dit artikel.

‘Bewegen!’ Een kreet die je regelmatig hoort bij een willekeurige trainer die een (jeugd)team coacht. ‘Er moet meer beweging zijn’, is dan de feedback die gegeven wordt aan het team. Maar wat wordt er dan bedoeld met ‘bewegen’? Wat verwachten wij als trainer van spelers wanneer zij meer moeten bewegen? Weten spelers überhaupt wat wij bedoelen met de kreet ‘bewegen’?

Als we het hebben over bewegen, kan dit met en zonder bal. Het is belangrijk om je spelers uit te leggen hoe jij bewegen ziet en dat je uitlegt wat je van hen verwacht. Dan wordt ‘bewegen’ al een stuk concreter voor spelers en weten zij ook wat je bedoelt als je daar feedback op geeft.

Daarnaast is alleen ‘bewegen’ niet altijd de oplossing. Veel bewegen, rouleren of vrijlopen werkt over het algemeen alleen wanneer de directe tegenstander in verwarring raakt en/of de bal in de buurt is. Verwarring door een overtal om de tegenstander heen zodat hij moet kiezen, of wan-
neer de bal dicht in de buurt is en hij zijn focus op de tegenspeler verliest. Een speler kan daarom ook een bal vragen en ontvangen waarbij hij zeker weet dat hij onder druk gezet gaat worden. Dit gebeurt vaak wanneer een speler met zijn rug naar de goal staat. De speler die gaat drukzetten laat automatisch ruimte achter zich open. Je expres onder druk laten zetten (binden van een tegenstander) om vervolgens de bal in de ruimte te vragen/krijgen kan ook zeer nuttig zijn.

Een leuke transfer is dan te maken naar een andere sport. Laat een filmpje zien van een handbal- of basketbalwedstrijd en het valt de spelers zeker op dat er heel veel bewogen wordt. Een handbalspel als warming-up is zeker zinvol wanneer het vrijkomen de kern van de training is. Ook is de driesecondenregel uit het basketbal (je mag niet langer dan drie seconden onder de basket van de tegenpartij staan: beweging dus!) een waardevol middel om spelers aan te leren. We focussen ons nu op het bewegen zon-der bal en vooral om aanspeelbaar te worden of om je directe tegenstander kwijt te raken. De spelers krijgen aan de hand van deze methodiek tools aangereikt in verschillende manieren van vrijlopen en hoe zij moeten/kun-nen vrijlopen ten opzichte van elkaar.

Uiteindelijk gaat het erom dat de speler uit deze vaardigheden de meest geschikte kan kiezen binnen een bepaalde situatie die zich voordoet in de wedstrijd.

Er zijn veel verschillende redenen om te bewegen zonder bal:
• Om de bal te ontvangen.
• Als afleider zodat iemand anders de bal kan ontvangen.
• Om ruimte te creëren.

Richtingen:
• Richting de bal.
• Zijwaarts.
• Achterwaarts.
• Diagonaal.
• Richting de goal van de tegenstander.

Strategieën:
• Passen en doorlopen.
• Positie kiezen achter je directe tegenstander.
• Het binden van een verdediger en vervolgens in tegengestelde richting lopen.
• Richting de verdediger sprinten om vervolgens weer uit te wijken naar de zijkant.
• Doorbewegen zonder dat je de bal krijgt.
• De druk van de tegenstander gebruiken om uit zijn rug de bal te vragen.
• Tussen twee spelers de bal vragen.
• Tussen twee linies de bal vragen.

In dit hoofdstuk pakken we een abstract spelprincipe om er in de trainingsvormen specifiek aandacht aan te besteden. Voorafgaand aan de verschillende oefeningen dienen spelers uiteraard te kunnen passen, te weten wat het doel is van vrijlopen en wat jij als trainer van hen daarin verwacht. Daarnaast is het slim om de vormen, zeker die met kleinere aantallen, in een roulatiesysteem te trainen. Spelers moeten veel herhalingen krijgen, dan worden de bewegingen automatismen.

Maak spelers bewust van wat ze met de verschillende manieren van vrij- en weglopen kunnen doen per situatie. De leerlijn loopt van bewegen/vrijlopen als individu naar een afstemming met anderen. Aan het einde van deze methodiek kunnen spelers verschillende manieren van vrijlopen toepassen in verschillende situaties.

Plezier als ‘spelprincipe’

‘Ik heb een van de gaafste beroepen, dat vooropgesteld. Maar als ik de afgelopen jaren iets heb ingezien, is het wel dat voetbalplezier het allerbelangrijkste is. Stel dat je een enquête houdt onder ouders met kinderen van negen tot vijftien jaar bij een profclub, en je vraagt of hun zoon plezier heeft, dan ben ik benieuwd naar de uitkomsten. Op zaterdag zullen kinderen het leuk hebben, maar doordeweeks …’ We lazen deze treffende woorden in de NRC, uit de mond van Teun Koopmeiners, aanvoerder van AZ en Jong Oranje.

Maak voor de jongste jeugd het trainen op tactiek niet structureel. Het vertactiseren van heel jonge spelers kan ook een negatief effect hebben en ze onthouden het toch niet allemaal. Focus bij de jongste jeugd zeker ook op spelplezier! Als je dan een principe wilt toevoegen, doe dat dan in een partijspel door middel van het geven van taken. Spelers worden dan onbewust bekwaam en kunnen vooral lekker blijven ‘spelen’. In boek 2 van de boe-kenserie Spelprincipes: methodische stappen wijden we daarom een uitgebreid hoofdstuk aan het thema spelplezier.

Methodische stappen

In de boeken proberen we zoveel mogelijk de complexiteit van de trainings-vormen te laten toenemen via methodische stappen. Dit geven we ook aan door middel van een zogenaamd ‘sterrensysteem’: * voor basale trainings-vormen, ** voor een gemiddeld niveau en *** voor gevorderden. Maar hoe men zichzelf hier moet inschalen, zal voor iedereen verschillend zijn. Een seniorentrainer die voor het eerst gestructureerd met een spelprincipe aan de slag gaat, kan net zo goed met een 1-ster-oefening beginnen als een pupillentrainer die dit doet omdat hij met jonge kinderen werkt. Doorgaans zou je voor een gemiddelde jeugdopleiding kunnen stellen: * is voor de onderbouw, ** voor de middenbouw en *** voor de bovenbouw.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is boek2-cover-777x1024.jpg
Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is boek1-cover-778x1024.jpg

Twee nieuwe boeken
Nu verkrijgbaar in de webshop van De Voetbaltrainer: deel 1 en deel 2 van Spelprincipes: methodische stappen. Per stuk €17,95 en pakketprijs van de beide delen samen voor € 30,-.

Hieronder volgen vier trainingsvormen uit het eerste deel van de boekenserie.

Afwerkvorm 2:1 *

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is tek1-1-1024x701.jpg

Organisatie en inhoud
• In deze vorm wordt het vrijlopen alweer iets moeilijker (dan de voorgaande oefening in het boek, red.). Met name de verdediger mag nu meer en er kunnen meerdere variaties binnen het vrijlopen getraind worden. Met name het achter de verdediger langs bewegen en in de rug vrijkomen, komt nu terug. Daarnaast is het belangrijk om een goede lichaamshouding te hebben op het moment dat je de bal ontvangt.
• In deze vorm begint de blauwe speler met een pass naar de verste rode speler. Deze rode speler kaatst de bal naar de andere rode speler, deze kaatst de bal ook weer terug en loopt vervolgens zichzelf vrij. De verste rode speler doet na zijn pass mee om 2:1 te maken. De blauwe speler mag de bal bij beide rode spelers afpakken.

Coaching
Verdediger:
• ‘Sprint meteen naar de bal toe na je pass. Maak eventueel een link naar de omschakeling naar verdedigen.’
• ‘Zorg dat je de afstand tussen jou en de bal verkleint om zo de passlijnen eruit te halen.’
Aanvaller:
• ‘Maak de passlijn open.’• ‘Ga zoveel mogelijk achter de verdediger langs.’
• ‘Je lichaamshouding zodra je de bal aanneemt is zoveel mogelijk met je rug naar de zijlijn.’
• ‘Blijf in beweging zodra je de bal ontvangt. Sta niet stil in je aanname.’
• ‘Blijf anticiperen op de looplijn van de verdediger en dat je daar continu achter vandaan komt.’

Methodiek
• De verste rode speler doet niet mee en blijft ongeveer bij de pylon staan. Zo wordt het een 1:1 in plaats van 2:1. Dit is iets moeilijker.
• Speel deze vorm met 2 teams in 2 organisaties. Van elk team gaan er elke keer 2 of 3 spelers verdedigen in roulatievorm. De groep met minste tegengoals wint.

Positiespel 4:1 in 9 vakken **

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is tek2-1-1024x707.jpg

Organisatie en inhoud
• Waar het vrijlopen altijd afgestemd moet worden met medespelers, is het goed om relatief eenvoudig te beginnen. Het ‘spelen en doorbewegen’ uit de vorige vormen, komt hier ook van pas. Er wordt uitgebouwd met het vrijlopen in de ruimte, maar ook in het vrijlopen voor de ontvanger.
• In deze vorm wordt er 4:1 gespeeld in 2 teams. Om de beurt gaat er 1 speler verdedigen bij het andere team. Het is de bedoeling dat het team in balbezit de bal minimaal 4 (of meer) keer rondspeelt om vervolgens naar een ander vak te verplaatsen. Als dit lukt +1 pass, hebben ze een punt.

Regels
• Je mag de bal 2x aanraken.
• Wanneer je verplaatst en een ander team gaat ook naar dat vak, ben je al je punten kwijt. Dit is pas als de bal ook daadwerkelijk in dat vak gespeeld wordt. Enkel vrijlopen in dat vak terwijl een andere groep er ook in gaat zonder dat de bal gespeeld wordt, mag wel.
• We spelen op tijd. Team met meeste punten wint.
• Je mag niet terug naar het vak waar je vandaan komt. En je mag niet schuin oversteken.

Coaching
• ‘Open staan.’
• ‘Afspeellijn open maken.’
• ‘Juiste moment versnellen naar een ander vak.’
• ‘Bind de verdediger zodat er ruimte komt om te verplaatsen.’
• ‘Zoek als speler de juiste ruimte op om naartoe te lopen.’
• ‘Zorg ervoor dat je niet stilstaat in je aanname.’

Methodiek
• Spelen met 3 teams. Dus 3 keer 4:1.
• Je mag wel terug naar het vak waar je vandaan komt.
• Aantal keer raken aanpassen.

Positiespel met middenvakken ***

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is tek3-1-1024x670.jpg

Organisatie en inhoud
• In deze trainingsvorm combineren we het binden en spelen en doorbewegen. Daarnaast gaat het positie kiezen tussen linies of tussen tegenstanders ook meer een rol spelen.
• Aan de hand van het aantal spelers dat je tot je beschikking hebt maak je een indeling. Van elke ploeg staan er 2 in een klein vierkantje. De spelers van hetzelfde team staan schuin ten opzichte van elkaar. Zo blijft het positiespel een beetje verdeeld. Wanneer je een fan bent van verticale passes, kun je 2 spelers van eenzelfde team ook aan dezelfde kant zetten.
• Je kunt een punt scoren zodra je een kaatser aanspeelt en de bal goed verwerkt wordt.
• Wanneer een speler een kaatser heeft aangespeeld, mag de kaatser eruit en gaat de passer in het vak staan.

Coaching
• ‘Speel de bal en beweeg door.’
• ‘Zorg voor een vervolg voorwaarts.’
• ‘De speler in het vak moet een goede lichaamshouding hebben voor de gewenste situatie. Bijvoorbeeld: wil je iemand binden? = gesloten houding + kaatsen. Draait deze speler dan open, kun je hem daarop coachen.’
• ‘Als speler die uit het vak mag, zorg je ook dat je de bal wegspeelt en zelf doorloopt.’
• Verdedigende team mag drukzetten in het vierkantje wanneer deze speler aangespeeld wordt.
• Belemmering bij spelen en doorbewegen is vaak dat het heel druk wordt rondom de bal en spelers in voorwaartse beweging zijn. Er moeten ook spelers zijn die de veldbezetting in de gaten houden.

Methodiek
• Zet doeltjes neer. Elke keer wanneer een team beide kaatsers, zonder onderbreking, heeft bereikt kunnen ze scoren voor extra punten.

Aanvalsvorm 3+K+2 : 3+K ***

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is tek4-1024x760.jpg

Organisatie en inhoud
• Het spelen + doorbewegen moet wel op een verstandige manier gebruikt worden. Je kunt niet altijd de bal passen en dan maar ‘ergens’ heen lopen. Dit moet wel helpend zijn voor je medespelers. In deze vorm maken we dat trainbaar en moeten spelers kijken naar hoe de situatie is, om vervolgens de juiste keuze te maken.
• Speler 1 begint met de bal en dribbelt in. Speler 2 loopt tegelijkertijd mee en is aanspeelbaar. Er zijn 2 neutrale spelers op de zijkant die kunnen helpen om in vak B te komen. Na je pass moet je meteen doorlopen en proberen aanspeelbaar te zijn. Een neutrale speler die aangespeeld wordt, mag na zijn pass zelf het veld in lopen en meedoen als een normale veldspeler. De ander blijft aanspeelbaar aan de zijlijn. De rode speler in het midden mag vak B inlopen. Scoren mag alleen in vak C. Blauw moet meeverdedigen in een ander vak. In het laatste vak krijg je dus 5:3 als iedereen meedoet en meeverdedigt. Wanneer blauw de bal verovert, mogen zij scoren op het andere doel en daarbij de neutrale spelers gebruiken.

Coaching
• Maak spelers bewust wat doorbewegen inhoudt.
• Welke richting loop je op, op welk moment en met welke snelheid?
• ‘Maak diepte en houd snelheid in het spel. Blijf in beweging als je de bal hebt.’
• ‘Zorg ervoor dat je aanspeelbaar wordt en initiatief neemt. Word de baas over de situatie en heb al in je hoofd wat je wilt gaat doen zodra de bal naar jou komt.’

Methodiek
• Wanneer blauw de bal hoger op het veld verovert, mogen ze een neutrale speler inspelen die nog aan de zijkant staat. Deze hoort dan bij blauw. De andere neutrale speler die door rood is ingespeeld, hoort bij rood en moet dus verdedigen.
• Extra punten als je alleen maar voorwaarts handelt voor je scoort.
• Extra punten wanneer blauw met 2, 1 of 0 spelers in vak C is op het moment van scoren. Hiermee kun je stimuleren om spelers te binden, om vervolgens snelheid te maken en te scoren dieper op het veld waar minder spelers zijn.

Twee nieuwe boeken

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is Boek1-plaatje-1024x672.jpg

Nu verkrijgbaar in de webshop van De Voetbaltrainer: deel 1 en deel 2 van Spelprincipes: methodische stappen. Per stuk €17,95 en pakketprijs van de beide delen samen voor € 30,-.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is Boek2-plaatje-1024x676.jpg

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.