Stel, je maakt als trainer de overstap van het mannen- naar het vrouwenvoetbal. Je hebt verstand van voetbal en ervaring in het trainen, coachen en begeleiden van spelers, maar je werkwijze tot dan toe vooral toegespitst op mannen. Welke verschillen bestaan er tussen het trainen van mannen en vrouwen en waar moet je rekening mee houden in je periodisering, speelwijze, communicatie en benadering? Drie trainers met ervaring in het mannen- én vrouwenvoetbal laten hun licht hierop schijnen.
Ed Engelkes, de afgelopen seizoenen zowel trainer van de Ajax-vrouwen (Eredivisie) als de mannen van VVOG (Derde Divisie zaterdag)
‘Op fysiek vlak liggen de belangrijkste verschillen op het gebied van kracht en explosiviteit. Toen we bij Ajax in 2012 begonnen met vrouwenvoetbal waren we voornamelijk bezig met blessurepreventie, maar de afgelopen jaren zijn we ons ook steeds meer gaan richten op sterker worden. Een belangrijk verschil is daarnaast natuurlijk dat vrouwen te maken hebben met een iets andere lichaamsbouw (de stand van het bekken) en de menstruatiecyclus. In die laatstgenoemde periode zijn hun banden kwetsbaarder, dus dat is iets om rekening mee te houden, bij de een meer dan bij de ander. Bij Ajax werd individueel alles gemeten en in kaart gebracht, maar dit is natuurlijk niet op alle niveaus het geval.
Wat betreft het periodiseren zijn er weinig verschillen; het voetbalspel zelf is precies hetzelfde. Er zijn verschillen in de uitvoering, maar je kunt bij vrouwen dezelfde duur aanhouden in voetbalconditionele trainingen als bij mannen. Binnen zo’n partijspel ligt de intensiteit lager en is er meer tijd en ruimte, maar vrouwen kunnen deze partijvormen net zo lang volhouden. Bij Ajax maakten we zelfs veel sneller stappen in de duur van trainingen, omdat we veel meer trainingsmomenten tot onze beschikking hadden dan bij VVOG.
Het voetbalspel mag dan hetzelfde zijn, in karakter zie ik wél grote verschillen. Vrouwen reageren anders op dingen dan mannen. Wat me erg beviel, was hun toewijding. De Ajaxvrouwen zijn geen fulltime prof, maar leven wel op die manier voor hun sport. Daarnaast hebben ze dan nog hun werk of studie. Waar je rekening mee moet houden als trainer, is dat vrouwen dingen die gebeuren of worden gezegd langer onthouden. Daarnaast hebben ze er meer moeite mee als dingen ‘direct’ in de groep worden benoemd. Ze hebben liever dat je eerst individueel met ze in gesprek gaat. Maar uiteindelijk moeten we de verschillen ook niet groter maken dan ze zijn: zowel bij mannen als vrouwen is het als trainer belangrijk je te verdiepen in je spelers. Dat is de basis voor een goede samenwerking.’
Marlou Peeters, voorheen trainer van de mannen van Zwaluw VFC (Derde Klasse), nu assistent-trainer bij Vitesse onder 11 en hoofdtrainer van de vrouwen van Sporting ’70 (Eerste Klasse)
‘Als het gaat om bijvoorbeeld explosiviteit, kracht en lichaamsbouw zie je natuurlijk duidelijke verschillen tussen mannen en vrouwen, maar voor een coach vind ik dat niet relevant. Wat je coacht is het voetbalspel en dat is precies gelijk, qua veldafmetingen, regels, et cetera. Wel zijn er verschillen in blessuregevaar. Tijdens de menstruatie zijn vrouwen extra kwetsbaar. Op amateurniveau is het onmogelijk om hier voor twintig speelsters structureel op individueel niveau rekening mee te houden, maar als je weet dat een grote groep speelsters tegelijk ongesteld moet worden, kun je hierop de belasting aanpassen. Omdat het bekken anders staat, hebben vrouwen daarnaast vaker last van kruisbandblessures. Dat geldt ook voor mij, het is de reden dat ik moest stoppen met voetbal. Bij Sporting ’70 probeer ik korte lijntjes te houden met de fysiotherapeut om ook preventief in te grijpen als die signalen er zijn.
Qua karakter zijn er een paar dingen waar je echt rekening mee moet houden als je een vrouwenteam coacht. Dit geldt natuurlijk niet voor iedereen, maar over het algemeen wordt over alles wat je zegt door een vrouw langer nagedacht. Er wordt meer gewicht aan je woorden gehangen en vrouwen kunnen zich alles ook langer nog herinneren. Dat vraagt van een trainer dat hij vooraf heel goed nadenkt over wát hij zegt, wanneer en tegen wie. Daar komt bij dat vrouwen graag willen weten waaróm dingen gebeuren. Mannen zetten ook wel hun vraagtekens bij dingen, maar voeren het vervolgens wel gewoon uit. Een vrouw moet je vaak meer meenemen in het hoe en waarom. Meer uitleggen hoe je tot bepaalde keuzes komt, bijvoorbeeld in de speelwijze, de opstelling of tijdens de training. Het is vooral de kunst om heel open te communiceren en een vertrouwde omgeving te creëren. Omdat je weet dat er in het voetbal vaker vrouwen op vrouwen vallen dan mannen op mannen, is dat ook iets om vooraf goed te bespreken. Onze afspraak is dat iedereen uiteraard vrij is om een relatie met een teamgenoot te hebben, maar dat dit op de club niet zichtbaar is. Door hier vooraf goede afspraken over te maken, voorkom je dat dit het groepsproces verstoort.’
Robert de Pauw, voorheen trainer van de mannen van NEC (amateurs), nu van de vrouwen van Achilles ’29 (Eredivisie)
‘Ik ben nu enkele maanden trainer van een vrouwenteam. Op fysiek vlak moet je het verschil tussen mannen- en vrouwenvoetbal vergelijken met tennis: vrouwen hebben minder kracht en explosiviteit en dus ligt het speltempo lager. In de Eredivisie heeft dat weinig consequenties voor onze speelwijze, omdat we tegen vrouwen spelen. Oefenen we tegen een mannen(jeugd)team, dan kies ik er minder snel voor om hoog druk te zetten, omdat we dan soms de snelheid en duelkracht missen om dat echt explosief te doen. De periodisering die ik aanhoud is hetzelfde als bij de mannen, dus wat dat betreft zijn de verschillen er niet of nauwelijks.
In het karakter en de persoonlijkheid van de speelsters merk ik wél verschillen. Zo zijn de meeste meiden die ik nu train meer intrinsiek gemotiveerd om beter te worden. Ik vertelde een spits bijvoorbeeld dat ze niet ging spelen. Ze vroeg direct wat ze kon doen om beter te worden en huurde zelf een spitsentrainer in om extra te trainen. Vrouwen kunnen ook beter samenwerken dan mannen, vind ik. Ze gaan samen in gesprek over de onderlinge afstemming in het veld en denken na over varianten bij standaardsituaties, die ze ook aandragen.
Waar de speelsters soms wat meer moeite mee hebben, is het vasthouden van de focus als er externe prikkels optreden. Kritiek van een teamgenoot bijvoorbeeld, of een verhitte wedstrijd. Dan zijn ze sneller geneigd de aandacht weg te laten vloeien van de taak en is het aan mij om ze te helpen die focus terug te krijgen. Sowieso zijn de meiden heel sfeergevoelig. Ik kan geen dingen die spelen ‘laten lopen’, maar maak direct alles bespreekbaar. Gelukkig staan zij hier zelf erg voor open. Mannen stappen eerder over dingen heen. Dat is niet altijd handig, want het kan ook blijven sluimeren en later weer boven komen.’