EK 2016:
Opbouwen
• Meeste teams maken bij een achterbal een (traditioneel) kommetje met de centrale verdedigers op de punt van de zestienmeter en de backs dieper weg. Uitzonderingen waren onder meer Duitsland, Spanje en Italië waar we de centrale verdedigers ook soms ‘lager’, op de hoogte van het vijfmetergebied zagen.
• De kleinere landen bedienden zich bij de achterbal ook geregeld van de verre uittrap door de keeper waarbij het team zich concentreerde richting één flank van het veld, met een of twee goede kopper(s).
• Verdedigt de tegenpartij met twee spitsen, dan komt een middenvelder vaak tussen de centrale verdedigers in aanbieden.
• Middenvelders maken soms ruimte in de as door middel van loopacties schuin naar de flanken.
• Spelers in de laatste linie kijken naar opties om de voorste linie(s) van de tegenpartij te doorbreken (zgn. splijtende pass).
• Rotatie tussen vleugelverdediger, buitenste middenvelder en vleugelaanvaller wordt veel toegepast om de defensieve organisatie bij de tegenpartij te breken.
Aanvallen
• Er wordt gezocht naar overtalsituaties, door middel van snelle combinaties met 1x raken, en loopacties tussen de linies.
• Is er geen druk op de bal, dan zoekt men eerder de dieptebal achter de laatste linie van de tegenpartij.
• Een ander wapen is de crosspass, waarin vooral Boateng van Duitsland uitblonk, naar de andere zijde van het veld, meestal nadat de bal is ‘uitgehaald’ vanaf de ene zijde van het veld.
• ‘Groot maken’ is tijdens aanvallen niet langer voor elk team een logisch gegeven. We hebben Duitsland en Spanje (al langer) ook in balbezit relatief kort op elkaar het positiespel zien
spelen. Drukzetten na eventueel balverlies is dan makkelijker.
• De vleugelverdedigers worden meer en meer belangrijke pionnen in de aanval.
• Bewust benutten van de halfspaces (zie het artikel over Duitsland). We kenden al het spelen tussen de linies, maar hetzelfde principe zoeken we nu gericht op tussen de lengtelijnen flank/as/flank.
Drukzetten
• Bij het vastzetten van de achterbal van de tegenpartij (om zo tot een lange bal te dwingen) werd vooral gebruikgemaakt van ‘op een halve staan’. Enige dynamiek ontstond daarbij als de centrale verdedigers van bijvoorbeeld Duitsland of Spanje zich naast het eigen zestienmetergebied opstelden.
• Teams die met relatief veel spelers aanvielen, zetten ook makkelijker hoog druk op het veld.
• Wanneer het hoog drukzetten mislukt, wordt ‘medium drukzetten’ overgeslagen en overgegaan naar de georganiseerde verdediging op eigen helft (‘laag drukzetten’).
Verdedigen
• Vrijwel ieder team is in staat om gegroepeerd en massaal te verdedigen als de situatie daarom vraagt (tussenstand of sterke tegenstander).
• Hierbij spelen twee linies kort op elkaar rond het eigen zestienmetergebied. Meestal blijft er wel een aanspeelpunt voorin, maar soms zakt iedereen mee terug.
• De achterste linie van vier, vijf of zes spelers beweegt simultaan naar voren of naar achteren, afhankelijk van de positie van de bal en of er druk op de bal is.
• Indirect verdedigen: passlijnen dichtlopen/afsnijden.
• Midden dicht. Tegenpartij wordt vooral naar de flanken ‘geleid’.
Omschakelen na balverovering
• Teams met een (verwacht) veldoverwicht passen een meer meer gecontroleerde omschakeling naar balbezit toe en zetten de counter alleen in met reëel zicht op succes.
• Teams die juist op de counter spelen, loeren op alle mogelijkheden en nemen daarbij meer risico na de omschakeling bij balverovering. Denk bijvoorbeeld aan het 1-0 van Portugal, in
de verlenging tegen Kroatië.
• De keeper kan een belangrijke rol spelen bij de omschakeling na balverovering. Denk aan de keeper van Wales of Italië die door een verre uitworp een of twee linie(s) van de tegenpartij
doorbraken.
Omschakelen na balverlies
• De teams die graag de bal hebben, zetten – ook in ondertal – na balverlies gelijk druk om binnen een paar seconden de bal weer in bezit te hebben. Maar ook in overtal wordt door deze teams na balverlies drukgezet op de bal, waarbij er dus achter de zone van drukzetten een 1:1 of 0:1 situatie wordt achtergelaten.
• Teams die meer verdedigend zijn ingesteld, zetten alleen druk na balverlies als er voldoende eigen spelers in de buurt van de bal zijn. Anders wordt snel de verdedigende organisatie
opgezocht, met extra aandacht om het in de as ‘dicht’ te hebben.