#Groepstraining #Onder 14/15 #VerdedigenLeestijd ≈ 10 minuten (1910 woorden)

Leren verdedigen hoort bij individuele ontwikkeling

In het jeugdvoetbal heeft de individuele ontwikkeling van een speler prioriteit boven die van het team, al gebeurt deze individuele ontwikkeling wel voor een groot gedeelte bínnen dat team. Jeugdtrainers focussen vaak op het voetballen in balbezit, maar verdedigen is evenzeer een kunst die al tijdens de jeugd moet worden aangeleerd. Johan Voortmans besteedt er bij de Onder 15 van de Belgische topper KRC Genk ruimschoots aandacht aan.

Instappen middenveld

Bij het uitlijnen van de verdediging maakt Voortmans een onderscheid tussen vier zones waar de bal zich op dat moment bevindt: ter hoogte van het zestienmetergebied van de tegenstander, tussen het zestienmetergebied van de tegenstander en de middenlijn, tussen de middenlijn en het eigen zestienmetergebied, ter hoogte van het eigen zestienmetergebied.


Johan Voortmans
: “Wanneer de bal zich ter hoogte van het zestienmetergebied van de tegenstander bevindt, betekent dat vaak dat er één of meerdere van onze eigen verdedigers deelgenomen hebben aan de aanval. Denk bijvoorbeeld aan een flankverdediger die een overlapping gedaan heeft. Wanneer je op zo’n moment balverlies lijdt, ben je als defensie erg kwetsbaar. Dat geldt zeker in het jeugdvoetbal omdat jonge voetballers een enorme aanvalslust hebben. Welke zijn de afspraken op het moment dat een flankverdediger mee ten aanval trekt en welke acties gaan de overige verdedigers ondernemen? Dat moet vooraf duidelijk worden doorgenomen. In zo’n situatie willen we toch minstens drie verdedigende spelers achterin houden. Dat mag ook een middenvelder zijn die een positieovername doet. Belangrijk hierbij is dat de bespeelbare zones van het veld afgedekt kunnen worden, zodat een tegenaanval snel kan worden onderbroken. Wat doet onze flankverdediger (2) wanneer de andere flankverdediger (5) een overlapping gedaan heeft? Blijft hij breed tegen de lijn staan? Knijpt hij naar binnen richting de centrale verdediger (4) of knijpt hij naar binnen en stapt hij in het middenveld in? Wij willen dat onze flankverdediger deze laatste optie kiest. Heel vaak zie je dat een flankverdediger ver van zijn tegenstander staat in een omschakelmoment, waardoor er enorm veel ruimte vrijkomt of waardoor een aanvaller al op snelheid is en de bewuste verdediger niet. Dan kom je natuurlijk snel in ondertal. Ook de centrale verdedigers moeten steeds alert zijn en rekening houden met vrijstaande spitsen. Wanneer er een lange bal gespeeld wordt, zal een van hen in duel moeten gaan en de ander zal rugdekking moeten geven en ook rekening moeten houden met lopende spelers in de rug van de spits. Dus hier bena- De Jeugd Voetbal Trainer drukken we het belang van een goed georganiseerde restverdediging. Uiteraard is onderlinge communicatie hierin belangrijk. Dit trainen we vooral in wedstrijdsituaties op training en ook door coaching tijdens de wedstrijden. (zie tekening 1)

Wanneer de bal zich bevindt tussen het zestienmetergebied van de tegenstander en de middellijn, wordt het belangrijk dat verdedigers de ruimtes goed gaan inschatten. Wanneer verdedigers te veel inzakken, worden de ruimtes tussen de linies te groot en heeft de tegenstander veel kans om de situatie via het centrum uit te spelen. Dat zie je maar al te vaak in het jeugdvoetbal. Op dat moment moeten middenvelders overal tegelijk gaan lopen en kunnen ze maar zelden een bal recupereren. (zie tek. 2) Wanneer ze hoog blijven staan, ontstaat er bijgevolg veel ruimte in de rug van de verdediging. Uiteraard is het dan belangrijk dat de doelman een hoge positie inneemt om zodoende accuraat te kunnen anticiperen op een dieptepass. Het is evenzeer belangrijk dat de verdedigers half ingedraaid staan, zodat ze zowel voorwaarts als achterwaarts kunnen bewegen. (zie tekening 3)

Wij kiezen ervoor om de speelruimte voor de tegenstander in het middenveld zo klein mogelijk te houden. Toch zie je vaak verdedigers te makkelijk naar achter lopen wanneer de tegenstander de bal heeft. Wanneer je als speler merkt dat de tegenstander in balbezit een dieptepass gaat spelen zonder dat hij onder druk staat, dan stapt heel de verdediging enkele meters achteruit en de keeper blijft in hoge positie. Op deze manier verklein je de ruimte in de rug van de verdediging. (zie tekening 4) Door de spelers op de training te laten ervaren wat er gebeurt wanneer je te veel gaat inzakken of misschien zelfs te hoog gaat spelen, leer je ze om in de wedstrijden de juiste keuzes te maken zonder als coach alles voor te coachen.” (zie trainingsvorm 1, op pagina 36).

Interceptie

Johan Voortmans: “Wanneer de tegenstander in balbezit is tussen de middenlijn en het eigen zestienmetergebied moet een andere stelling worden ingenomen. In plaats van de tegenstander te gaan storen, moet nu het doel worden verdedigd zodat de tegenstander niet tot scoren kan komen. Hoe dichter de tegenstander met de bal bij het doel komt, hoe strikter de dekking. Maar wat doe je met de vrijstaande spelers? Hoe kort ga je deze verdedigen?

Belangrijk hierin is dat je het centrum van het veld zo lang mogelijk gesloten houdt. Uiteraard is dat de taak van alle spelers die in de as van het veld spelen, maar ook van de flankspelers. Vaak zie je dat wanneer de bal zich centraal bevindt, de flankverdedigers toch al richting hun aanvaller bewegen, waardoor ze regelmatig in de rug gespeeld kunnen worden en zelden hun rechtstreekse tegenstander kunnen bijbenen. (zie tekening 5) Dus je moet als trainer de flankverdedigers aanleren dat ze niet te vroeg naar de buitenkant gaan verdedigen, maar wel de rugdekking aan hun centrale verdedigers moeten verzorgen. Een snelle flankverdediger kun je dan nog anders leren verdedigen dan een tragere verdediger. Deze laatste zal het toch absoluut moeten hebben van een goed positiespel, inzicht in de situatie en leren anticiperen op de eventuele ruimtes die er ontstaan. Dat kun je alleen maar aanleren door deze spelers heel vaak in zo’n situatie te brengen (zie trainingsvorm 2). Dit kan op training, maar ook door gebruik te maken van videobeelden.

Dan komen we in de situatie waarbij de tegenstander in balbezit is opgerukt tot het eigen zestienmetergebied. De verdedigers gaan in deze zone nog strikter moeten verdedigen. Hier kun je drie grote momenten herkennen. Of er komt een flankvoorzet in het zestienmetergebied, er wordt een doorsteekpass gespeeld vanuit het centrum of er wordt op doel getrapt.

Hoe verdedigen we nu op een flankvoorzet? Wanneer de flankverdediger in een 1:1-situatie komt, zal hij dit moeten oplossen door op interceptie te spelen – de bal te onderscheppen op het moment dat deze naar een aanvaller gespeeld wordt – of hij zal het duel moeten proberen te winnen. Het liefst willen we dat hij op interceptie gaat spelen, maar dit lukt niet altijd. Wanneer een flankverdediger in een frontale 1:1-situatie komt, moet hij trachten de tegenstander naar de buiten- of binnenkant te drijven, hem uit het zestienmetergebied te houden en dan het duel te winnen. In bepaalde gevallen kan je de tegenstander beter naar de binnenkant van het terrein dwingen.

Dit adviseren we wanneer deze tegenstander een heel goede actie buitenom heeft en je hem liever op zijn slechte been aan de binnenkant laat uitkomen. Vaak staan daar ook meer ploegmaats om bij te springen. Belangrijk hierbij is dat je ingedraaid staat, laag in de knieën en op de voorvoeten zodat je snel kunt reageren op bewegingen van de aanvaller. We willen de centrale verdedigers zo lang mogelijk in het centrum houden zodat ze kunnen reageren op een voorzet. Hier passen ze een strikte dekking toe. Wanneer de bal zich centraal op het veld bevindt, moet het centrum heel compact bevolkt zijn. De ruimtes moeten ontnomen worden en iedereen dient zijn tegenstander kort te dekken.”

Doordekken

Een volgend aspect waar verdedigers in defensief opzicht op moeten focussen, is het doordekken van andere collegaverdedigers. We hebben het dan over doorverdedigen in de zone tussen het eigen zestienmetergebied en ongeveer de middenlijn. Wanneer ga ik doorverdedigen? Wanneer blijf ik in positie? Tot op welke hoogte ga ik doorverdedigen? Wanneer geef ik een speler door aan een middenvelder?

Johan Voortmans: “Wij vragen aan onze centrale verdedigers om steeds door te dekken op een afhakende spits die de bal aangespeeld krijgt. Geregeld zie je in het jeugdvoetbal een verdediger doordekken op een aanvaller die de bal niet krijgt. Wanneer de pass naar de aanvaller gegeven wordt, is de eerste optie de bal onderscheppen en onmiddellijk een tegenaanval opzetten. Wanneer dat niet lukt, probeer je de aanvaller te dwingen tot een pass achteruit. Hij mag zich zeker niet kunnen draaien met de bal of je uitschakelen. Uiteraard is er enige agressiviteit in het duel nodig. De andere centrale verdediger verzorgt de rugdekking en de flankverdedigers knijpen licht naar binnen. (zie tekening 6 en trainingsvorm 3). Als de verdediger de bal kan onderscheppen en deze vooruit speelt, stappen alle spelers naar voren om de ruimte tussen de linies zo kort mogelijk te houden en op deze manier niet onmiddellijk op een counter te stuiten. Onze flankverdedigers komen vaak in een 1:1-situatie omdat de meeste tegenstanders met buitenspelers (7 en 11) spelen. Alleen in internationale toernooien zien we ook teams die met twee spitsen spelen. Deze jongens moeten vaak nog met meer ruimtes leren omgaan dan de centrale verdedigers. Een van de moeilijkste aspecten van het verdedigen is het doordekken als flankverdediger. Ben je te laat, dan word je uitgespeeld. Ben je te vroeg naar voren aan het lopen, dan word je in de rug gespeeld. Wanneer het kan, kiezen we hier ook voor de interceptie. Helaas is dat niet altijd haalbaar. Op welke manier ga je dan verdedigen? Op het moment dat je rechtstreekse tegenstander een moeilijke bal te verwerken krijgt, moet je er als verdediger kort opzitten en je tegenstander zo weinig mogelijk tijd geven om de bal aan te nemen. Je moet dus de balbaan en de snelheid van de aanvaller inschatten. Je probeert de aanvaller dus ook te dwingen de bal achteruit te spelen. Onze flankverdedigers gaan verder doordekken dan bijvoorbeeld onze centrale verdedigers. Dit omdat het gevaar op de flanken minder acuut is dan in het centrum. Wanneer je tegenstander toch de bal kan aannemen, moet je je voorbereiden op een actie van de aanvaller. Vaak kan je als verdediger in de eerste actie al veel inschatten. Welke is zijn voorkeursvoet? Is het een snelle of trage speler? Komt hij naar binnen om aanspeelbaar te worden of blijft hij op de zijlijn? Hier moet je dus goed mee leren omgaan. Op het moment dat onze flankverdediger in een frontale 1:1 komt, moet hij in staat zijn dit duel te winnen.” (zie trainingsvorm 4).

Concrete thema’s

Johan Voortmans: “Ik ben absoluut voorstander om zoveel mogelijk in balbezit te trainen. Toch voelen verdedigers zich regelmatig in de kou gezet en kunnen ze hun vaardigheden onvoldoende ontwikkelen omdat het spelmoment ‘balbezit tegenstander’ vaak onvoldoende belicht wordt. Daarom benadruk ik het belang van een goede tactische periodisering zodat alle spelmomenten getraind worden.

Je kunt op vrij korte tijd jongens van veertien tot vijftien jaar – maar ook jongere spelers – stappen zien maken in het goed verdedigen. Bepaal in de opleiding hoe je wilt verdedigen en koppel daaraan een aantal concrete thema’s en trainingssessies. Dit kan gaan om het storen van de opbouw, het drukzetten met de aanvallers of het drukzetten vanuit het middenveld. De aspecten die hier besproken zijn, zijn specifiek op verdedigers gericht. Je maakt je spelers bewust van een aantal gevolgen van het te ver van je tegenstander staan, te veel ruimte in de rug vrijgeven of op het slechte moment doorverdedigen. Vaak zullen spelers hierin fouten maken, maar als je ze zelden of nooit in deze situaties brengt, zullen ze het nooit voldoende onder de knie krijgen en daar dus als volwassen speler hinder van ondervinden.”

Gerelateerde artikelen