In De Voetbaltrainer 232 en 235 verschenen reeds twee verhalen over het boek Ontdekkend leren voetballen. Zowel Jeroen Koekoek en Wytse Walinga (232) als PEC Zwolle-trainers Stefan Luchtenberg en Dennis Rosink (235) vertelden daarin over het belang van het zelf leren ontdekken door spelers én de rol die de trainer daarbij heeft. In dit derde deel komen opnieuw Koekoek en Walinga aan het woord over een interessant en tot op heden relatief onderbelicht onderwerp: de spelbalans-analyse.
Een trainingsvorm bedenken, een organisatie uitzetten, kinderen in die organisatie laten voetballen en vervolgens methodische stappen toepassen. Het klinkt allemaal eigenlijk heel logisch en elke voetbaltrainer heeft dat proces wel doorlopen. Maar toch, als je een laagje dieper gaat en meer over die stappen nadenkt, stuit je op een veelvoud aan vragen. Want hoe weet je of er (optimaal) wordt geleerd? Is een oefenvorm voor álle spelers leerrijk, of slechts voor een van de beide teams? Of misschien zelfs alleen voor een paar individuen? En als je die tweede en derde vraag met ‘ja’ moet beantwoorden, wat kun je daar dan aan doen? Om deze vraag te kunnen beantwoorden kun je kijken naar spelbalans en voer je een spelbalans-analyse uit. Coauteurs Jeroen Koekoek en Wytse Walinga leggen uit hoe het werkt.
Evenwichtige situatie
Jeroen Koekoek: ‘Laten we het voorbeeld nemen van een partijspelletje 5:5 (zie tekening 1). Nadat je teams, veldafmetingen, regels en dergelijke hebt bepaald en het spel wordt gespeeld, ga je observeren. Hoe verloopt het spel? Belangrijk hierbij is dat je spelers eerst echt de tijd geeft om het spel te spelen en niet te snel begint met aanwijzingen geven. Je mag en kunt een team of een individu pas beoordelen, wanneer er sprake is van een evenwichtige situatie. Als die er niet is, bijvoorbeeld wanneer het na een paar minuten spelen al 5-0 staat of dat er amper kansen worden gecreëerd, is het leerrendement te laag voor beide teams en heeft het geen zin om aan verdere spelbalans-analyse te beginnen.’

Idee
Wytse Walinga: ‘Het idee over spelbalans ontstond uit de gedachte dat er een voorwaarde moet zijn, voordat er geleerd wordt. Als je het idee hebt dat het spel loopt en partij A en B aan elkaar gewaagd zijn, kun je een begin maken met een spelbalans-analyse. Je kunt dit al doen door puur te kijken naar hoe vaak een opbouw uitmondt in een score. Dit kan wanneer je een trainingsactiviteit eens goed onder de loep wilt nemen, onder andere door het gebruik van de GBA-app (zie figuren 1, 2 en 3 op pagina 43), waarin dat bijgehouden kan worden. Je voert dus een kwantitatieve analyse uit. Het bijhouden van deze gegevens geeft in feite aan of de verdedigers de juiste uitdaging (weerstand) bieden aan de aanvallers en andersom.’
Sleutelen
Jeroen Koekoek: ‘Zodra je een kwantitatieve analyse hebt uitgevoerd, verschuif je de aandacht vervolgens naar een kwalitatieve analyse. In welke fase van het spel zie je dat de spelers het moeilijk hebben? Is dat al in de opbouwfase (wordt er veel balverlies geleden), worden er geen kansen gecreëerd of wordt er niet gescoord? Pas als je dáár wat over kunt zeggen, kun je overgaan tot een aanpassing. Op basis waarvan pas je aan? Het is heel makkelijk om, als er amper wordt gescoord, de doeltjes groter te maken. Maar wellicht is zelfs het creëren van kansen al moeilijk en moet je juist sleutelen aan iets anders. De waarom-vraag van een aanpassing, díe is belangrijk.’ (zie kader Spelbalans).’
Spelbalans manipuleren
Op de spelbalans te beïnvloeden (manipuleren), heeft de trainer globaal genomen vier tools tot zijn beschikking om met behulp van omgeving- en taakaanpassingen te komen tot een geschikte spelvorm:
Mogelijkheid tot aanpassing van:
A. veldgrootte
B. doelbereik
C. spelersaantallen
D. speelwijze (regels en materiaal)
Gevolg:
A. Van een breed naar een smal veld geeft een verschuiving voor de aanvallers van relatieve rust naar een gedwongen hoger tempo.
B. Van een breed naar een smal doelbereik (afstand tussen de goaltjes of de grootte van het doel) geeft een verschuiving voor de aanvaller van veel ruimte in de afrondingsfase naar weinig ruimte in de afronding (fuikvorming). Voor de verdediging geldt daarmee dat breed doelbereik moeilijk te belopen is, terwijl een smal doelbereik gemakkelijk te beschermen is.
C. Van aanvallend overtal naar gelijke spelersaantallen of zelfs ondertallen voor de aanvallende partij, geeft een verschuiving van relatief veel open afspeellijnen naar het gedwongen openen van afspeellijnen door middel van individuele acties. Voor de verdediging geldt dat het overtal moeilijk dicht te zetten is en dat verdedigers worden gedwongen om grotere zones te bestrijken.
D. Van eenvoudig te hanteren regels en materiaal naar complex kan zowel voor de aanval als voor de verdediging zorgen voor een toename in complexiteit. Een maximum aantal bal aanrakingen, ingevoegde tijdsdruk, maar ook keuze voor de balsoort zijn daar voorbeelden van.
Tools
Wytse Walinga: ‘‘We hebben samen met PEC-jeugdtrainers Dennis Rosink en Stefan Luchtenberg ook over de verschillende soorten aanpassingen nagedacht en getracht enkele kaders aan te geven, waardoor het spel als het ware gemanipuleerd kan worden. Om enkele praktijkvoorbeelden te geven: als er weinig kansen worden gecreëerd omdat er in een te laag tempo wordt gespeeld, kun je je doelen wel groter maken maar dat sorteert weinig effect. Beter is het soms om het veld dan kleiner te maken een wijziging te doen in het aantal spelers of in de spelregels, zoals bijvoorbeeld een maximaal aantal keer raken instellen. Stel het creëren van kansen lukt wel, maar er wordt niet gescoord, dan zoek je de oorzaak eerder in doelbereik (B). Telkens is de vraag: wat kan er beter en welke tools heb ik als trainer-coach in handen om specifiek dát probleem te verhelpen?’
Gefrustreerd
Jeroen Koekoek: ‘Partijspelen zoals 5:5 horen in balans te zijn, maar dat geldt natuurlijk ook voor oefenvormen die in onder- en overtal worden gespeeld. Stel je speelt 4:2, dan moet dat zó ingericht worden dat er voor beide partijen relatief veel lukt. Dus dat de aanvallers succes beleven, maar ook weer niet zóveel dat de verdedigers gefrustreerd rondlopen. Dat laatste zie je toch nog wel geregeld gebeuren, omdat bijvoorbeeld de ruimte waarin door het ondertal verdedigd moet worden te groot is. Om van ontdekkend leren te spreken, moet er voor zowel aanvallers als verdedigers voldoende lukken. En met dat ‘voldoende’ bedoelen we ongeveer veertig procent. Toegegeven, dat is enigszins arbitrair want een partijtje dat eindigt in 0-0 kan ook spannend zijn en men kan daarin leren. Kenmerkend aan spelend leren spelen is echter het uitgangspunt dat het spel als totaal moet lukken en dat is inclusief scoren. Van de tien keer dat een ploeg opbouwt, zal ongeveer vier keer een doelpunt moeten vallen om te spreken van een leerrijke situatie.’
Versterken
Wytse Walinga: ‘Wat je als trainer wilt, is dat je zoveel mogelijk spelers betrekt bij de drie fases van het spel: opbouwen, creëren, benutten. Natuurlijk geeft het niet als er even geen evenwicht is tussen aanvallende druk en verdedigende oplossingen of andersom, want dan heb je mogelijkheden om met elkaar in gesprek te gaan en spelers te betrekken in het vinden van antwoorden. Het mooiste is het wanneer beide rollen zich steeds ten opzichte van elkaar versterken, waardoor het uiteindelijke niveau steeds hoger wordt. En dat kan alleen gebeuren wanneer er in de basis een soort van gelijkheid is. De opeenstapeling van échte spelbeslissingen maken leidt tot intuïtieve spelers.’
Ontwerpen
Jeroen Koekoek: ‘We willen trainers dan ook vooral aanmoedigen om op basis van een logische redenatie zelf een spelvorm te ontwerpen en, aan de hand van een spelbalans-analyse, te kijken hoe het gaat. Pas de trainingsvorm vervolgens iets aan en kijk wat dat doet met het spelverloop en het spelbeeld. Dat kan in vormen met gelijke aantallen, maar ook in trainingsvormen waarbij er sprake is van een overtalsituatie. De aanpassingen die je doet hebben te maken met hetgeen je opvalt in de vorm. Het waarom en het effect van een aanpassing, dat leer je beter inschatten naarmate je meer ervaren wordt in het training geven.’
Verloop bijhouden
Wytse Walinga: ‘Zodra de trainingsvorm begint, houdt de trainer-coach bij hoe het verloop zich ontwikkelt. Partij A (linkerkant) neemt de bal uit en zodra de bal verloren wordt, drukt de trainer op ‘Balverlies’. Vervolgens licht het rechterdeel van het scherm op, omdat partij B balbezit heeft.’
Jeroen Koekoek: ‘Balwisselingen kunnen elkaar snel opvolgen. Wij redeneren dat bij ieder balverlies of elke onderschepping de andere partij de bal heeft en dus feitelijk gezien begint aan een nieuwe aanval. Vervolgens beoordelen we hoe dit balbezittende team die aanval benut. Maar er zijn situaties denkbaar dat balverlies direct toch weer leidt tot balbezit, waarbij de aanval dus nog steeds kan worden gezien als dezelfde aanval. Bijvoorbeeld na een duel om de bal op het middenveld, waarin niet snel duidelijk is welke partij de bal heeft. In dat geval druk je dus niet gelijk op de knop ‘balverlies’, maar wacht je de situatie even af om te kijken wie er écht aan een nieuwe poging begint. Dat is aan de trainer-coach die observeert, want die bepaalt of er sprake is van een echte poging.’
Wytse Walinga: ‘Nadat beide teams de bal bijvoorbeeld acht keer uit hebben genomen, stopt de trainer-coach het spel. De stand is 4-2 voor partij A. De trainer-coach roept de spelers bij elkaar en bevraagt ze of ze zelf hebben ervaren dat er al dan niet sprake is van ‘balans’, en stimuleert hen om zelf na te denken over nieuwe oplossingen.’
Van en door elkaar
Jeroen Koekoek: ‘Team A wist vier keer te scoren uit acht pogingen, een score van vijftig procent. Team B heeft acht keer balbezit gehad en daaruit twee keer gescoord, een score van 25 procent. Beide scores vallen in het groene (goede) gedeelte en daarmee kan worden geconcludeerd dat het spel licht uit balans is, maar wel in een leerrijke zone zit. Het spel is uit balans, wanneer de scores in het rood uitvallen, dus dat er te weinig is gescoord of juist te veel. Naarmate je steeds meer in het midden komt, kun je strategieën beïnvloeden of aanpassingen doen. Eigenlijk ga je dan dus over naar de inhoudelijke analyse. Hoe kan het dat er bijvoorbeeld te weinig kansen worden gecreëerd? Is het tempo te laag, kloppen de posities niet, of beheersen de spelers bepaalde speelmogelijkheden nog niet goed? Door het spelend zoeken naar oplossingen is het meest ideale uitgangspunt dat de balans blijft schommelen rondom het midden van de schuif. Dat betekent namelijk dat aanval en verdediging om de beurt voor een bepaalde periode dominant is met een succesvol gevonden oplossing. Op die wijze leren beide rollen het meest van en door elkaar.’

Game Balance Analysis (GBA)
De Game Balance Analysis (nu nog alleen voor iPad), een door Koekoek en Walinga ontwikkelde app, dient als tool om uiteindelijk met je spelers in gesprek te komen. De app is te downloaden in de appstore. De spelbalans-app is een tool voor trainers om inzicht te krijgen in de leerrijkheid van gekozen spelvormen. Leren spelen is zó dynamisch, dat één manier ‘uit het boekje’ meestal niet passend is voor een gevarieerde praktijk. Als trainer goed leren kijken en geschikte keuzes maken in spelaanpassingen of andere hulp, is volgens Koekoek en Walinga de sleutel tot een succesvol leerproces.
Spelbalans-analyse
In deze analyse gaat het om het bijhouden van het percentage geslaagde aanvallen ten opzichte van de geslaagde verdedigende acties. De uitkomst is een indicatie van de leerrijkheid van het spel. Anders gezegd, de aanvallende druk die door de spelers wordt gerealiseerd, levert de leeromgeving voor de verdedigers. De verdedigende druk levert tegelijkertijd de leeromgeving voor de aanvallers. Deze gelijktijdigheid maakt dat het bijhouden van de balans (spelbalans-analyse) tussen beide van belang is. Wanneer een van beide rollen te dominant is voor het behalen van beoogde doelen, redden spelers het niet om aanvallend of verdedigend voldoende te leren ontdekken. Door het maken van aanpassingen in de spelvorm probeert de trainer een balans te bereiken tussen de aanvallende en de verdedigende taak. Leren in deze balans wordt ook wel spelgecentreerd leren genoemd.
Wat is spelgecentreerd leren?
Spelgecentreerd leren kenmerkt zich door op maat gemaakte spelvormen, waarbij spelers al spelend beslissingen nemen die passen bij hun niveau. Leren in het spel is wezenlijk anders dan onderdelen los en droog trainen. Jonge spelers zijn gebaat bij gevarieerd oefenen en zoveel mogelijk spelend leren spelen. Trainers kunnen hierbij helpen door spelers de kans te geven speelmogelijkheden te ontdekken (soms impliciet) in plaats van direct oplossingen aan te dragen (zeer expliciet).