: ‘Een belangrijke pijler onder het succes is het positiespel van de club. Knippenborg illustreert het aan de hand van een vijftal oefeningen. En geeft daarbovenop inzicht in een aantal aspecten van de werkwijze die voor andere clubs inspirerend kan zijn: je hoeft niet groot te zijn of een rijke sponsor te hebben om een inspirerende sportcultuur te creëren.
Wanneer we het hebben over positiespel, wat is dan uw definitie daarvan?
Laurens Knippenborg: ‘Ten eerste heb je altijd een specifieke doelstelling. Veelal is daarbij een overtalsituatie aan de orde, en bedoel ik méér dan één speler overtal. In een positiespel kun je dan nadrukkelijker accenten zetten om je doelstelling te realiseren. Denk daarbij niet alleen aan balbezit, dus aanvallen, maar ook aan drukzetten en verdedigen. Bovendien lenen positiespelen zich prima voor conditionele doelstellingen. In die situatie werk je met de afstanden, dus met de afmetingen. Op die wijze werk je op een plezieriger manier aan de fysieke aspecten. Tot slot gebruik je het positiespel om technische elementen onder weerstand te trainen. Ik houd niet van kleine positiespelen, zoals 3:1 of 4:2. Ik vind dat te weinig directe relatie tot de wedstrijd hebben. Een positiespel moet wat mij betreft complexer zijn. Ik vind 6:4, dus 4:4 met twee neutrale spelers, een goede beginvorm. De twee neutrale spelers hebben dan wel altijd een specifieke opdracht: centrumverdedigers aan de kopse kanten, bijvoorbeeld. Met de opdracht om in te dribbelen (2:1) of juist direct te spelen. Wil je middenvelders in complexe situaties brengen, zet je de twee neutrale spelers middenin. Altijd in formatie, dus met teamtaken en teamfuncties. Bij onze positiespelen hebben altijd zowel de aanvallende partij als de verdedigende partij een doelstelling. Het kan dus nooit zo zijn dat de verdedigers alleen maar in functie van de aanvallers trainen, en er voor hen geen beloning is. Door het omschakelmoment er telkens weer in te brengen, wordt het positiespel dynamischer. En dat is wat je graag ziet: dat er altijd actie op actie is.’
Als we inzoomen op techniek, kunt u voorbeelden geven hoe u dat traint in een positiespel?
‘Met name door opdrachten mee te geven. Wanneer je bijvoorbeeld een verplicht aantal keer raken afspreekt, betekent dit iets voor de speler. Verplicht tweemaal raken houdt bijvoorbeeld in, dat de aanname direct in de goede richting moet zijn. De speler moet dus al voordien zijn omgeving gescand hebben, anders weet hij niet waarheen hij de aanname moet leiden. En dat betekent dus ook iets voor de lichaamshouding. Zeg je echter drie- of viermaal raken (dus niet maximaal, maar precies), train je daarmee ook het vermogen om de bal mee te nemen en onder controle te houden. En dan wordt het zaak om met de weerstanden te spelen. Een kleinere ruimte betekent dat het allemaal wat moeilijker wordt. Maak je het echter groter, speelt het conditionele aspect weer een grotere rol. Maar dat heeft ook weer invloed op je techniek. Dus terwijl je vermoeid raakt, toch je techniek in orde houden. De mogelijkheden met positiespelen zijn talloos: technisch zowel als tactisch en conditioneel. Ik vind het ongelooflijk boeiend om daarmee aan de slag te zijn en de oefeningen altijd precies zo te construeren, dat ik het optimale effect bereik.’