#Groepstraining #Onder 18/19 #Onder 16/17 #Opbouwen #Onder 14/15 #Onder 13Leestijd ≈ 6 minuten (1245 woorden)

Opbouwen via de korte pass

Weinig lengte in je ploeg? Creatieve middenvelders die sterk zijn in de kleine ruimte? Of simpelweg jeugdspelers die net op het grote veld spelen? Eigenlijk zijn er tal van redenen te bedenken waarom je wilt opbouwen via de korte pass. Om de bal daarbij van achteren naar voren te krijgen, heb je spelers nodig die tussen de linies aanspeelbaar zijn. Maar hoe krijg je dat voor elkaar en waar moet je op letten? In dit artikel een handreiking

Verschillende factoren zijn van belang om spelers die zich tussen de linies aanbieden, tijd en ruimte te geven om de goede keuze te maken. Wanneer speel je als verdediger de bal naar ze toe? En ben je als middenvelder in staat om een tegenstander mee te lokken, waardoor iemand anders tussen de linies aanspeelbaar is?

Het tussen de linies aanspelen van de 6 door een centrale verdediger

Zodra je opbouwt en de tegenstander zet druk ontstaat er, in ieder geval als dat laatste niet goed genoeg gebeurt, ruimte (zie gearceerde deel) achter de aanvallers van wit. In tekening 1 zet wit druk vanuit een 1:4:4:2. In de gearceerde ruimte probeert een verdedigende middenvelder (de 6 in dit geval) aanspeelbaar te zijn. Los van de loopactie van de 6 (die al om zich heen aan het kijken is) zorgen de 8 en 10 van rood dat ze de ruimte waar de 6 de bal in wil ontvangen niet dichtlopen. Des te meer ruimte de 6 heeft om te draaien en om een oplossing te zoeken, des te groter de kans op een goed vervolg.

Het tussen de linies aanspelen van de 6 door een back

Zoals de 6 in tekening 1 aangespeeld wordt door een centrale verdediger, kan dit ook gebeuren door een back. Indien de 6 al vrijstaat, kan die bal in één keer gegeven worden. De 6 heeft dan in elk geval twee aanvallende opties: de bal kan naar de 7 (passlijn 2a) of naar de 10 (pass lijn 2b). De rode 7 heeft de keuze om zich aan de zijlijn aan te bieden of, zoals in dit geval, iets aan de binnenkant. De rode 8 zorgt dat hij ‘bij de bal wegblijft’.

Dankzij de loopactie van de 7 kan de 10 alsnog bereikt worden.

In het geval dat de witte 8 wél doordekt op de rode 6, kan de 2 in één keer de 10 aanspelen. Ook kan hij er (zoals in deze tekening) alsnog voor kiezen om die 6 aan te spelen. Wel is de samenwerking tussen de rode spelers essentieel. Kan, net als in tekening 2, de rode 7 de 6 helpen door in de bal te komen en aanspeelbaar te zijn? Als dat lukt, dan kan de 7 de bal ook via deze weg bij de rode 10 krijgen.

Dankzij de loopactie van de 10 is de 6 aanspeelbaar.

In tegenstelling tot tekening 2, waarbij de rode 10 nog centraal op het middenveld staat, kan die 10 ook dienstbaar zijn in het laten aanspelen van de 6. Zodra hij zich vanuit de rug van de witte 8 richting zone A beweegt, is de kans groot dat de witte 8 daarin mee gaat bewegen, omdat hij daardoor de binnenkant afdekt. Maar juist doordat de 8 die binnenkant afdekt, komt de rode 6 alsnog vrij. De mate waarin de 6 vrijstaat wordt overigens mede bepaald door de verdedigende arbeid die door de witte 9 wordt verricht. Doet de witte 9 actief mee in het terugverdedigen en stapt hij in op de 6, dan is de ruimte beperkt.

Het tussen de linies aanspelen van de 6 of de 11.

Het kijkgedrag is een belangrijk aspect wanneer het gaat over het aanspelen tussen de linies. Dat middenvelders moeten weten wat er vóór en achter ze gebeurt, bewijst tekening 5. Waar in tekening 1 de rode 11 nog aan de zijkant stond, is hij hier in de half space aanspeelbaar. Dit kan dankzij de rode 8, die naar binnen is gelopen (zie rode looplijn) en daardoor een ballijn heeft vrijgemaakt. Doordat de rode 11 naar binnen is gekomen, kan de rode 5 de loopactie in de diepte maken.

Het opbouwen tegen een team dat met één spits drukzet.

Even terug naar het begin. Wanneer niet twee maar slechts één speler begint met drukzetten, is er beduidend minder ruimte tussen de linies, omdat de witte 10 er nog achter staat. Voor de rode 6 en 8 is het dan een optie om zich wat in te laten zakken, waardoor ze in de ruimte náást de witte 9 aanspeelbaar zijn. In het geval van tekening 6 zal de rode 3 dan wat naar rechts lopen om ruimte te maken. Zowel de 6 of 8 kunnen de bal dus als het ware ophalen, zich omdraaien en voorwaarts spelen.

Het vrij krijgen van de 8 tegen een team dat met één spits drukzet

Zodra de 4 een pass geeft op de 3, maakt de rode 6 de loopactie richting de bal. Hierdoor trekt hij de 10 van wit mee, waardoor er ruimte ontstaat om tegendraads de rode 8 in te spelen. De 8 kan kaatsen op de dan vrijstaande 4 of, indien hij genoeg ruimte heeft, zelf opendraaien en vooruitspelen. Bij alle tot dusver behandelde scenario’s heb je spelers aan de bal nodig, die zien waar de ruimte is of die zien waar ruimte komt. Je hebt spelers nodig die de bal niet maar klakkeloos inspelen, maar die durven wachten en kunnen anticiperen op loopacties van zowel tegenstanders als van medespelers.

Naar het trainingsveld

Een vorm waarin het opbouwen via de korte pass getraind kan worden is deze trainingsvorm. Het veld is verdeeld in drie vakken (A, B en C) en spelers mogen in eerste instantie hun vak niet uit. In vak A wordt 4:2 gespeeld, in vak B is het 2:3 en in vak C is het 1:1.

Organisatie
• 1 groot doel
• 2 kleine doelen
• 5 oranje pylonen
• 5 witte dopjes
• 7 rode hesjes en 6 witte hesjes

Inhoud
• partijspel 7 + keeper : 6
• het veld is verdeeld in vak A, B en C
• de witte spelers mogen hun vak niet uit

De achterhoede speelt rond en probeert het juiste moment te vinden om de rode 6 of 8 in te spelen die in vak B staan. In datzelfde vak B staan ook drie witte middenvelders, die de bal proberen te veroveren. Tevens hebben zij echter rekening te houden met het feit dat de rode 2 of 5 de bal in één keer in het kleine doel mag schieten. Doordat ze hier rekening mee houden en deels de buitenkant af moeten dekken, ontstaat er ruimte voor de rode 6 of 8 om zich aan te bieden tussen de linies.

Methodisch gezien heeft de trainer-coach tal van mogelijkheden om het spel te beïnvloeden:
A. zodra de bal van vak A naar B is gespeeld, mag een rode speler bijsluiten zodat er 3:3 ontstaat
B. de bal mag niet van vak B weer terug naar A worden gespeeld, dus de 6 of 8 die de bal krijgt aangespeeld, moet van tevoren gekeken hebben of hij de bal in bezit kan houden en naar voren kan spelen
C. in vak A mag de bal maximaal twee keer geraakt worden, waardoor de 6 en 8 meer moeten doen om vrij te komen
D. vanuit vak A mag de bal niet in één keer richting de 10 in vak C worden gespeeld, zodat de rode 6 en 8 meer moeten doen om vrij te komen
E. idem als D, maar dan mogen er twee spelers instappen naar vak B zodat er zelfs een overtal ontstaat
F. de bal mag niet teruggespeeld worden op de keeper, waardoor de rode verdedigers sneller de oplossing richting 6 of 8 moeten zoeken
G. de bal mag vanuit vak A in één keer naar de rode 10 gespeeld worden die in vak C staat, waarna die de bal aflegt op de 6 of 8 die eron-der komt.
H. indien wit de bal verovert, kunnen ze binnen x aantal seconden scoren in het grote doel

Dit artikel verscheen in De Voetbaltrainer 251.

Gerelateerde artikelen