#Algemeen #Techniektraining #Onder 13 #Onder 11/12 #Onder 8/9/10 #Onder 6/7Leestijd ≈ 5 minuten (1036 woorden)

Souplesse en tussentikken voor pupillen: bal als enige weerstand

Juist in de voorbereidingsperiode kan het wenselijk zijn om met de bal als enige weerstand te trainen. Een basisoefening is dan: tussentikken. Aan het woord hierover komt Fred Duijnstee, co-auteur van het recent verschenen boek De route naar tweebenigheid, waarin hij zich goeddeels heeft laten inspireren door het werk van Ricardo Moniz.

Tussentikken
Fred Duijnstee
: ‘Tussentikken, deze oefening is de eerste stap met bal richting tweebenigheid. Ook werken we aan het balgevoel, met de nadruk op gevoel. De tussentik is in mijn training niet zomaar een beweging. Bij de schaafbeweging die de spelers in deze oefening aanleren, gaat het om het eerste contact met de bal. De schaafbeweging gebruiken we ook bij het afstoppen met binnenkant-voet, zoals bij de zogeheten ‘Afellay’. Het gedetailleerd aanleren van de tussentik is dus om meerdere redenen een must, want ook hier geldt: jong geleerd is oud gedaan. Didactisch gezien is het belangrijk om een techniek zoveel mogelijk in korte en overzichtelijke deelbewegingen te oefenen en vervolgens de boel weer in elkaar te sleutelen. Op die manier kunnen we de bewegingen kort, intensief en geconcentreerd trainen en verliezen de spelers zich niet in ingewikkelde constructies.’

Onder de loep
‘De tussentikken oefenen we om bovengenoemde reden in drie delen. We doen het eerste deel van de oefening in de vrije ruimte. De spelers staan in een halve cirkel om de trainer heen en een meter voor elke speler ligt een bal. De spelers beginnen met een dribbel op de plaats, nog zonder de bal aan te raken. Zodra zij de dribbel regelmatig uitvoeren, dribbelen ze richting de bal totdat deze tussen hun voeten is beland. Op het moment dat de voeten de bal raken, geef ik de aanwijzing ‘niets veranderen’, om te zorgen dat de dribbel ontspannen en constant blijft. Waar ik op let is of de spelers de schaafbeweging goed, van boven naar beneden, uitvoeren. De binnenkanten van beide voeten moeten langs de beide zijkanten van de bal schaven en dat kan alleen maar door de knieën goed op te trekken en de beweging loodrecht langs de zijkanten te maken. Zo vermijden we dat er een shufflebeweging, een heen-en-weerbeweging, ontstaat waarbij de knieën ongewenst op slot komen te staan. Ook het tweede deel van de oefening doen we in de vrije ruimte. Zoals altijd doe ik de oefening voor, terwijl ik mijzelf en de spelers door de oefening heen praat. Ik vind het belangrijk om live verslag te doen van het hoe-en-waarom tijdens het voordoen. Bij deze oefening verplaats ik me al tussentikkend lukraak in de kleine ruimte. De kleine ruimte is een gevoelsmatig begrip. Een speler moet zich voorstellen dat de ruimte beperkt is en houdt de bal daardoor dicht bij zich tijdens de oefening.
Als de beweging goed is geland, volgen de spelers mij als de kinderen in De rattenvanger van Hamelen. Iedereen verplaatst zich al tussentikkend, dicht op elkaar en om elkaar heen. Het spelletje is dat de spelers elkaar niet mogen aanraken, maar wel zo dicht mogelijk bij elkaar moeten blijven. De woorden ‘niemand mag ontsnappen’ werken daarbij stimulerend. Ook mag het spel niet stilvallen, en zo werken we gelijk aan de conditie. De oefening bevordert onder andere de behendigheid en de wendbaarheid van de spelers. Een speler die de bal al tussentikkend en dribbelend bij zich kan houden, kan deze behendigheid later snel oproepen als we aan de wreef- en buitenkant-voetdribbel werken. Een gecontroleerde dribbel, in welke vorm dan ook, maakt elke gewenste actie mogelijk. Wanneer je de bal niet goed bij je leert houden, is de kans groot dat je de bal al verspeelt voordat je de vervolgactie kunt inzetten. Bij het laatste deel van de oefening rondom de tussentikken staan de spelers in een treintje achter de achterlijn aan het begin van de verticale zestienmeterlijn. Ik doe nu al tussentikkend voor hoe de bal van links naar rechts en terug over de lijn zigzagt. De spelers doen dit na, terwijl ik aanwijzingen geef over de snelheid waarmee zij vooruit bewegen. ‘Op de rem trappen’ betekent: niet te snel vooruit spelen en bewegen. Een detail is dat de schaafbeweging van de tussentikken zich een beetje verplaatst van het midden naar net achter het midden van de zijkant van de bal. Zo gaat de bal vooruit. De spelers moeten zelf controleren of ze de oefening precies uitvoeren. Wanneer de bal in de speelrichting meedraait is er niet langs de bal geschaafd, maar tegen de bal getrapt. Pas als de bal naar rechts gaat maar onderweg linksom draait, is de schaaf goed gelukt. De spelers moeten dus goed mikken: niet te ver achter aan de bal, want dan schiet die te ver naar voren, niet te veel in het midden, want dan kom je niet vooruit. Het is moeilijk voor zevenjarige spelers om de shufflebeweging buiten de deur te houden en de schaafbeweging van boven naar beneden te blijven maken. Verstijving en stramheid liggen op de loer. Juist het verticaal schaven en niet te veel vaart maken met de bal is een hulpmiddel om een soepele, gecontroleerde dribbel te maken.’

Bewegingsvrijheid
‘Bij het werken aan techniek is het belangrijk om altijd naar souplesse te streven. Souplesse betekent zoveel als lenigheid, wendbaarheid, flexibiliteit. Aandacht voor souplesse tijdens het trainen voorkomt stramheid. Stramme spelers ontwikkelen zich moeizaam en komen niet goed op snelheid. Souplesse en balans gaan hand in hand. Een speler die niet goed in balans is, moet steeds corrigeren en dat kost tijd en energie. Souplesse en balans zijn dus voorwaarden voor het vrije bewegen. Daarmee bedoel ik: natuurlijk, organisch, vloeiend en ontspannen bewegen. Zodra spelers uit balans zijn, raken spieren, zoals ademhalingspieren, overspannen en is het gedaan met de souplesse. Ik besteed dan ook in elke training aandacht aan souplesse en balans.’

Spelend leren
‘Ik laat alles zien: foute bewegingen en goede bewegingen. Humor en zelfrelativering zijn belangrijke elementen in mijn training. Door een oefening fout voor te doen kunnen de spelers even lekker lachen en dus ontspannen. Ook blijft de goed uitgevoerde beweging die ik daarna voordoe veel beter hangen. Zo wisselen we in elke training inspannende momenten af met ontspannende momenten. Ontspannende, speelse momenten en oefeningen werken plezier en gemak in de hand.’

Videofragment van tussentikken

Dit artikel verscheen eerder in De Voetbaltrainer 242.

Gerelateerde artikelen