“Je moet het zo eenvoudig mogelijk houden. Een oefening moet simpel uit te voeren zijn. Het moment dat je wilt laten voorkomen, is altijd wel ergens te verwerken. Dat dit niet altijd even realistisch in ten opzichte van de wedstrijd, is daaraan ondergeschikt. Als het moment dat je wilt trainen, maar herkenbaar is. En uiteindelijk wil je eindigen in een situatie zonder beperkingen. Dan wordt jouw inbreng als coach ook belangrijker want dan moet je beïnvloeden wat je van spelers verlangt in omschakelmomenten in een echte wedstrijdsituatie.”
Pieter Schrassert Bert: “Richting het einde van de week geven we de voorkeur aan meer specifieke vormen, waarin een duidelijke vereenvoudiging terugkomt vanuit de wedstrijd. Een basistrainingsvorm die zich in mijn ogen goed leent om, behalve aan de teamfuncties opbouwen en verdedigen (druk zetten), expliciet aandacht te geven aan de omschakeling is 6:5 (zie tekening 6). De opbouwende ploeg scoort in twee kleine doeltjes die tien meter over de middenlijn staan. Je zou kunnen zeggen dat deze doeltjes de buitenspelers voorstellen die tussen de linies proberen vrij te komen. We gebruiken een half speelveld van waaruit de aanvallende ploeg probeert te scoren op de doeltjes. Het druk zettende vijftal probeert het scoren in de kleine doeltjes te voorkomen. Als de bal uitgaat of er wordt gescoord door het opbouwende zestal, dan start een zesde speler vanaf middencirkel met bal. Dan wordt het dus 6:6, waarbij beide ploegen direct moeten omschakelen. Het wordt ook 6:6 als het druk zettende vijftal de bal tijdens het spel verovert. De speler op de rand van de middencirkel komt dan snel het veld in, maar zonder bal. Het druk zettende vijf-/zestal kan scoren door bijvoorbeeld een lijndribbel op de zestienmeterlijn. Als vervolgstap kun je met een doel met keeper werken achter het opbouwende viertal. Een andere methodische stap is het toevoegen van één of meer middenvelder(s) op een dieper veld.
Ik realiseer me dat er veel redenen zijn te verzinnen om juist bij A-junioren voor grotere trainingsvormen te kiezen omdat je bij 6:5 relatief ver van het 11:11 verwijderd bent en dat je training dan minder concreet of wedstrijdecht is. Maar als je op zoek bent naar wat meer herhalingen van hetgeen wat je wilt trainen, is juist weer een kleinere trainingsvorm zoals deze geschikt. Als je echt binnen een linie bepaalde handelingen vaker wilt herhalen zou je er zelfs voor kunnen kiezen om 4:3+1 te spelen, maar ik werk het liefst met twee à drie linies om het concreter te maken.”
Pascal Jansen: “Toen ik nog Hoofd Opleiding bij Sparta was en Pieter bij ons trainer werd, hebben we interessante discussies over dit thema gehad. Ik ben het er namelijk niet mee eens dat de training minder concreet hoeft te worden als je naar kleinere aantallen gaat. Het gaat volgens mij om principes, in dit geval rondom omschakeling, die ook terugkomen in een vereenvoudigde trainingsvorm. Het gaat dan om de vraag waar je op coacht. Als trainer moet je keuzes maken. Als het je bijvoorbeeld zou gaan om de arbeid die direct na balverlies geleverd moet worden om de bal te heroveren, dan kan dat zelfs al binnen 1:1, bij wijze van spreken. De trainingsvorm is dus niet leidend, maar je coaching!”
Coaching
Opbouwende zestal tijdens het opbouwen:
• ‘Hoog baltempo in het rondspelen.’
• ‘Probeer hard en dwingend voor de man in te spelen, afhankelijk van de situatie en waar mogelijk mensen over te slaan om zodoende een dieptebal voor te bereiden.’
• ’Laatste linie op zoek naar 2:1 situaties. Liefst in de as, eventueel op de zijkant om zodoende gedegen in fase 2 te komen.’
• ‘Wat is het juiste moment om diep te spelen? Als je een open lijn richting een doeltje (buitenspeler tussen linies) ziet, als er goed wordt vrijgelopen door een medespeler.’
• ‘Direct of indirect (via goed vrijlopende middenvelder) proberen te spelen.’
• ‘Houd, ook in balbezit, de restverdediging in de gaten. Wees voorbereid op eventueel balverlies.’
• ‘Vrijlopen middenvelders afhankelijk van druk zetten tegenstanders en zo diep mogelijk, altijd in ruimtes om uiteindelijk met bal vrij te komen met de neus naar doel tegenstander.’
Opbouwende zestal na balverlies (fase 1):
• ‘Direct actie, snel reageren.’
• ‘De dichtstbijzijnde speler geeft druk op de bal. Laat je niet uitspelen. Ophouden, ballen terug uit dwingen.’
• ‘De andere spelers maken het veld compact. Goed naar elkaar kijken, samenwerken.’
Druk zettende vijftal bij het storen op de helft tegenstander:
• ‘Samenwerking, houd de onderlinge afstanden intact.’
• ‘Zoek het juiste moment van druk zetten.’
• ‘Niet uitgespeeld raken, verdediger zijn en blijven.’
• ‘Voorkom de dieptebal. Dwing de tegenstander naar de zijkant.’
Druk zettende vijftal (zestal) na balverovering:
• ‘Direct actie, snel reageren, buitenspelers direct uit op diepte.’
• ‘Bal vrij spelen, diepte voor breedte.’
• ‘Veld groot maken, risico’s afwegen, eventueel kiezen voor bal houden.’

