De Voetbaltrainer 247

Pagina 35 van: De Voetbaltrainer 247

gaan van het duel 1:1. Een methodi- sche stap die Vogels neemt, zeker bij de senioren, is het verplaatsen van de doelen. ‘Bij jeugdelftallen beginnen we op een groot veld, maar sowieso bij de senioren kun je de doelen op de rand ...

gaan van het duel 1:1. Een methodi-

sche stap die Vogels neemt, zeker bij

de senioren, is het verplaatsen van de

doelen. ‘Bij jeugdelftallen beginnen we

op een groot veld, maar sowieso bij de

senioren kun je de doelen op de rand

cirkel zetten. Op die manier wordt het

veld nog kleiner en worden spelers ge-

dwongen om nóg sneller te handelen.’

Verdedigen
Na de nodige aandacht voor het aan-

vallende gedeelte maakt Vogels nu

een switch naar het verdedigen. Ook

hier zijn goed afspraken maken en is

D e V o e t b a l t r a i n e r 2 4 7 2 0 2 0 35

het uitdenken van varianten cruciaal

voor een goede uitvoering.

Buitenkanten dicht
‘Ons uitgangspunt tijdens het ver-

dedigen is om altijd met druk naar

voren te spelen. We veroveren de bal

het liefst zo dicht mogelijk bij het

doel van de tegenstander. Binnen dat

drukzetten hebben we, ook al is elke

situatie net weer iets anders, opnieuw

bepaalde uitgangspunten geformu-

leerd. Zo starten we in een Y-vorm,

waarbij we met twee spelers de drie

verdedigers van de tegenstander vast-

zetten. Als het gaat om het drukzetten

op de helft van de tegenstander, wil-

len we de buitenkanten dichthouden.

De bal mag door rood niet langs de

lijn worden gespeeld, waarmee we

voorkomen dat onze 3 uit positie

wordt gespeeld. Wordt die 3 namelijk

wél uit positie gespeeld, ontstaat er

ruimte voor lopende mensen van de

tegenpartij. Als we praten over druk-

zetten op de eigen helft, dan houden

we wel de binnenkant dicht, net zoals

op het veld.’

Tekening 6: Partijspel 3:3:3

• het gele drietal krijgt de bal van de keeper, probeert het rode

drietal uit te spelen om zodoende de bovenste speelhelft te be-

reiken

• lukt het ze de bovenste helft te bereiken, dan proberen ze ook

het witte drietal uit te spelen en te scoren

• als het rode drietal de bal verovert, kunnen ze scoren in het doel

bij de blauwe keeper

• als het witte drietal de bal verovert, proberen zij de onderste

helft te bereiken, waar ze opgewacht worden door de 3 rode ver-

dedigers

• na een onderschepping heeft een drietal 7 seconden om tot sco-

ren te komen (tempo)

Tekening 5a: 2 bindt de tegenstander

Tekening 5b: 2 speelt té vroeg in

6

Tekening 7: Verdedigen op helft tegenstander in de Y-vorm

• spelers stellen zich op in de Y-vorm

• als de bal van de keeper naar de rode 4 gaat, zet de gele 5 druk

• tegelijkertijd zet de gele 4 druk op de rode 3

• gele 2 houdt de passlijn naar de diepe spits dicht

• gele 2 pakt eventueel de diep lopende 2 of 3 van rood op

• in het geval dat de tegenstander zich anders opstelt (bijvoorbeeld

met 2 diepe spelers) dan zakt speler 2 wat meer in

Tekening 8: het lopen in een 0

‘De spelers starten op lijn, waarbij de 4 inspeelt op 3. De 4 loopt gelijk door

richting de middencirkel en hoopt de bal van 3 terug te krijgen. Lukt dat

niet, dan beweegt hij ter hoogte van de middenlijn schuin achterwaarts

zodat hij opnieuw een kans heeft om aangespeeld te worden door 3. Lukt

dit ook niet, dan loopt de 4 langs de lijn terug naar de positie van 5. Die 5 is

trouwens al lang weer doorgelopen naar de positie waar 4 de aanval is ge-

start. Eigenlijk verloopt de opbouw dan opnieuw met de pass van 3 op 5. Dit

alles gebeurt in een split-second, elke speler is constant in beweging.’

7 8

32-33-34-35-36-37_zaalvogels.indd 35 22-01-20 13:42