De Voetbaltrainer 247

Pagina 43 van: De Voetbaltrainer 247

D e V o e t b a l t r a i n e r 2 4 7 2 0 2 0 43 Keuzes maken De vijfde competentie is keuzes maken. Wat verstaat u hieronder? ‘Keuzes maken is een morele vaar- digheid en gaat vooral om de vraag waarom je doet wat je doet. Dat ...

D e V o e t b a l t r a i n e r 2 4 7 2 0 2 0 43

Keuzes maken
De vijfde competentie is keuzes maken.

Wat verstaat u hieronder?

‘Keuzes maken is een morele vaar-

digheid en gaat vooral om de vraag

waarom je doet wat je doet. Dat heeft

veel te maken met wat iemand vroeger

heeft meegekregen, in de opvoeding

en op school. Elke keuze die je maakt,

heeft een gevolg voor jou en voor

anderen. Neem je daarvoor de verant-

woordelijkheid of schuif je die af? De

keuzes die iemand maakt, kun je toet-

sen aan de hand van de waarden van

de vereniging.’

Checklist
Zou u trainers aanraden om voorafgaand

aan het seizoen een planning te maken

waarin staat wanneer ze welke compe-

tentie centraal stellen? Of kunnen zij beter

flexibel blijven en inspelen op welke compe-

tenties op een bepaald moment de hoogste

prioriteit hebben?

‘Ik zou de eerste fase van het seizoen

gebruiken om in kaart te brengen hoe

de spelers ervoor staan wat betreft

hun sociaal-emotionele vaardigheden.

Daarvoor kun je eventueel de checklist

gebruiken die ik heb ontwikkeld (zie

de tabel). Als je na de eerste weken

weet waar de prioriteiten liggen, kun

je de competenties wegzetten in een

planning voor de rest van het seizoen,

zodat alle competenties voldoende

aandacht krijgen.’

Voorbeeldsituaties
1. Twee spelers hebben een conflict met

elkaar, waardoor ze elkaar tijdens de wed-

strijd de bal amper nog toespelen.

‘Spelers die ruzie hebben, gaan over

het algemeen vooral op twee dingen

in: de gebeurtenis en het gedrag van de

ander. De gebeurtenis is in dit geval de

reden dat zij ruzie met elkaar kregen,

het gedrag is dat ze elkaar de bal niet

toespelen. Daar ligt nog iets tussenin:

de gedachten en gevoelens van beide

spelers. En er komt nog iets na: een

gevolg. Deze vijf G’s (gebeurtenis, ge-

dachten, gevoelens, gedrag en gevolg)

zou ik aangrijpen om deze situatie met

de spelers te bespreken. De gebeurte-

nis, het gedrag en het gevolg zijn rede-

lijk goed zichtbaar, maar wat ertussen-

in zit niet. Daar kun je de spelers naar

vragen. Wat dacht jij? En wat voelde

jij? Als je dat naast elkaar zet, krijgen

spelers meer begrip voor elkaar. En als

zij elkaar beter begrijpen, kunnen ze

de volgende keer meer rekening met

elkaar houden.’

2. Als een speler hoort dat hij als wissel-

speler begint of tijdens de wedstrijd naar

de kant wordt gehaald, wordt hij telkens

erg boos.

‘In zo’n situatie is het belangrijk dat je

als trainer in eerste instantie reageert

op de emotie en niet op het gedrag.

Dus ook als iemand een bidon weg-

gooit of de waterzak omver schopt.

Je moet aandacht besteden aan de

teleurstelling die een speler ervaart en

daar het gesprek over voeren. Als je op

het gedrag ingaat op het moment dat

iemand emotioneel is, kom je niet bin-

nen. Je gooit dan alleen maar extra olie

op het vuur. Eigenlijk zegt zo’n speler

op zo’n moment: ‘Ik zit emotioneel

even niet zo lekker in mijn vel. Zie mij,

hoor mij.’ Als je iemand op zo’n mo-

ment afkeurt op zijn gedrag, dan zie je

en hoor je hem niet, maar raak je hem

kwijt. Later, als de speler gekalmeerd

is, kun je iets van zijn gedrag zeggen.

‘Ik zag je een bidon weggooien. Hoe

kun je de volgende keer beter hande-

len?’’

3. Vier spelers doen voorafgaand aan de

training een bepaald spel, zoals hoog-

houden of zestienen. Een vijfde speler wil

meedoen, maar dat mag niet van de andere

vier.

‘Dit heeft alles morele competentie-

keuzes te maken. In dit geval: sluit je

iemand in of uit? Als je de waarde res-

pect hanteert, past uitsluiten daar niet

bij. Maar stel dat het specifiek een spel

is om met vier spelers te spelen, dan

kan het toch logisch zijn dat iemand

niet mee mag doen. Het viertal moet

dit dan wel goed toelichten. Dus dan

zeg je niet: ‘Je doet niet mee, punt.’

Daarbij gaat het uiteraard ook om de

toon. Of iemand mee mag doen, valt

onder keuzes maken (wij-competen-

tie), hoe je het vervolgens uitlegt valt

onder besef voor de ander en relaties

kunnen hanteren (jij-competenties).’

Besef hebben van jezelf (emotionele competentie) 1 2 3

* Herkent eigen emoties

* Kan eigen emoties benoemen

* Kent eigen sterke en zwakke punten

Zelfmanagement (emotionele competentie) 1 2 3

* Kent de triggers die gedrag uitlokken

* Controleert eigen gedrag in stressvolle situaties

* Weet wat zijn gedrag bij de ander teweegbrengt

Besef hebben van de ander (sociale competentie) 1 2 3

* Begrijpt hoe een ander de wereld ziet en daarover denkt

* Kan zich in de gevoelens van de ander verplaatsen

* Heeft oog voor het non-verbale gedrag van de ander

Relaties kunnen hanteren (sociale competentie) 1 2 3

* Is beleefd

* Werkt goed samen

* Staat op tegen pestgedrag

Keuzes kunnen maken (morele competentie) 1 2 3

* Neemt verantwoordelijkheid voor het eigen gedrag

* Draagt bij aan een positieve sfeer

* Reflecteert over het eigen gedrag

40-41-42-43_overveld.indd 43 22-01-20 13:44