De Voetbaltrainer 248

Pagina 17 van: De Voetbaltrainer 248

D e V o e t b a l t r a i n e r 2 4 8 2 0 2 0 17 Trainingsvorm C Trainingsvorm D Een vorm waarbij dat schakelmo- ment nadrukkelijk terugkomt is C. Op het moment dat de bal gaat rollen, komt de keeper in positie voor een schot (...

D e V o e t b a l t r a i n e r 2 4 8 2 0 2 0 17

Trainingsvorm C

Trainingsvorm D

Een vorm waarbij dat schakelmo-

ment nadrukkelijk terugkomt is

C. Op het moment dat de bal gaat

rollen, komt de keeper in positie

voor een schot (ballijn 1). Stel dat

hij de bal pakt (ballijn 2a) en de bal

gaat achter, dan wordt er gestart

met een nieuwe aanval. Bij dit

soort reddingen maakt de keeper

een uitvallende beweging: hij valt

lateraal (opzij) en daarbij kan hij

door de voeten iets naar buiten te

richten (Ten Rouwelaar noemt dit

de ‘wijdstand’) sneller reageren.

Anticiperen
‘Het kan ook zijn dat de keeper de bal klemvast heeft en dan moet hij, net als in de wedstrijd, gelijk omschakelen. In

dat geval gooit hij de bal naar de bovenste keeper in het veldje waar 1:1 gespeeld wordt (zie ballijn 2b). In dat veldje

kan de bal trouwens ook weer uitgaan: gebeurt dat naar links (rode lijn), dan volgt er opnieuw een schot op doel. Ge-

beurt dat naar rechts (gele lijn) dan pik ik de bal op en geef een hoge voorzet (zie ballijn 2c), waarbij het belangrijk is

dat de keeper zich gelijk centraal in het doel opstelt. Degene die op doel geschoten heeft, wordt nu spits en kan mijn

voorzet afwerken. Wat in deze vorm nadrukkelijk terugkomt, is de verscheidenheid aan acties die elkaar opvolgen.

De keeper moet constant alert zijn op wat er mogelijkerwijs kan gebeuren, hij is constant aan het schakelen en aan

het anticiperen op nieuwe situaties.’

Klaarstaan 1
Ben je als keeper klaar om een on-

verwacht schot te pakken? Kun je

aan de lichaamshouding van een

speler al zien wat er gaat gebeu-

ren? In deze vorm worden keepers

hiertoe uitgedaagd. In een veldje

net buiten de zestienmeter spelen

twee keepers een partijtje voetvol-

ley. Ze kunnen volgens de normale

voetvolleyregels punten scoren,

dus zodra de bal op de helft van

de tegenstander komt. Maar de

blauwe keeper mag ineens beslis-

sen om het strafschopgebied in

te dribbelen en te schieten op het

grote doel. De groene keeper mag

dan verdedigen. In feite is het dus 2:2, blauw hoort bij zwart (aanvallers) en groen hoort bij geel (verdedigers).

‘Terwijl die beide keepers voetvolley spelen, heb ik vanaf een afstandje de mogelijkheid om óók op het doel te pas-

sen of te schieten. Als ik een bal laag inspeel, dan neemt de keeper de bal aan en geeft een strakke pass in doeltje A.

Een bal die hij na een hard schot in zijn handen pakt, kan hij in de doeltjes die links en rechts van mij staan gooien.

Mist de gele keeper de doeltjes, dan komt er een vervolgactie van mij middels een schot op goal. Ik houd de hele tijd

in de gaten dat er geen twee ballen tegelijkertijd op de gele keeper af komen.’

14-15-16-17-18-19_rouwelaar.indd 17 04-03-20 13:50