De Voetbaltrainer 249

Pagina 36 van: De Voetbaltrainer 249

De Jeugd VoetbalTrainer www.devoetbal trainer.nl36 3:3 zonespel Organisatie • 6 gele hesjes en 6 witte hesjes • 8 rode dopjes om 2 velden mee uit te kunnen zetten Kruisen ‘Om van de warming-up naar de eindvorm te komen, gebrui...

De Jeugd VoetbalTrainer

www.devoetbal trainer.nl36

3:3 zonespel
Organisatie
• 6 gele hesjes en 6 witte hesjes

• 8 rode dopjes om 2 velden mee uit te kunnen zetten

Kruisen
‘Om van de warming-up naar de eindvorm te komen, gebruik ik verschillende tussenvormen om de doelstelling die we hebben te berei-

ken. Hierbij gaat het van overzichtelijk naar complex. Door te spelen met de aantallen, afstanden en regels kun je de tussenvormen steeds

nét iets anders inrichten zodat het uitdagend blijft, voor beide partijen. In deze eerste tussenvorm wordt er 3:3 lijnvoetbal gespeeld. Net

als bij de warming-up geldt ook nu dat de beide spelers die géén druk geven op de bal, rugdekking verlenen aan de speler die wél uitstapt.

De regel bij dit 3:3 is namelijk dat de verdedigers niet mogen kruisen. De beide spelers die geen aanval doen op de bal, zetten de ruimte

dicht en zorgen dat daar geen bal langs kan komen. De gele spelers mogen zich namelijk wél al kruisend door het vak bewegen.’

Samenwerken
‘Het veld is vrij klein en dat heeft een reden. Als je het in 3:3 namelijk smal houdt, dan geef je de verdedigers veel succesbeleving. Boven-

dien komt de situatie die je wilt trainen heel veel voor. Zodra wit de bal verovert, kun je ze net als geel laten scoren door een lijndribbel.

Ook kun je als methodische stap kleine doeltjes neerzetten, waar ze in kunnen scoren. Naast het verlenen van rugdekking zit hier het sa-

menwerken dus ook in. Spelers letten op elkaar: de één geeft druk, de andere spelers knijpen. Ze houden de as dicht.’

2

Zonespel 1
Organisatie
• 8 gele hesjes en 8 witte hesjes

• 6 witte dopjes en 4 rode dopjes

• 2 kleine doeltjes

· 1 groot doel met keeper

Schuiven
‘Waar het voor wit in 3:3 nog vrij eenvoudig was om

onderlinge afstanden te bewaken, wordt dat in deze

tweede tussenvorm weer een stukje complexer. Door

de grotere aantallen moeten spelers meer met elkaar

communiceren en op meer zaken letten. In het mid-

denvak spelen de gele spelers de bal naar elkaar toe,

waarbij wit de opdracht krijgt om mee te schuiven en

de ballijnen naar de twee gele aanvallers dicht te zet-

ten. Het veld is verdeeld in vakken en de witte spelers

mogen daar niet uit. Op een gegeven moment gaat het geel lukken om een spits te bereiken. De gele spits die de bal ontvangt, is vervol-

gens verplicht om de bal naar de andere spits te spelen die het vak uit dribbelt. Op dat moment mogen beide gele vleugelspelers meedoen

en wordt er een 3:2-situatie uitgespeeld. Als wit de bal echter verovert, kunnen ook zij hun spitsen aanspelen. Hier geldt eveneens dat de

witte spits die de bal krijgt aangespeeld, verplicht is om de andere spits aan te spelen. De reden hiervoor is dat de gele spelers dan nog

kansen hebben om de bal opnieuw terug te veroveren. Ze moeten na het lijden van balverlies echter wél gelijk omschakelen, hetgeen een

voorbeeld is dat je die hoofdmomenten nooit los van elkaar kunt zien.’

3

34-35-36-37_valk.indd 36 22-04-20 09:11