De Voetbaltrainer 250

Pagina 13 van: De Voetbaltrainer 250

D e V o e t b a l t r a i n e r 2 5 0 2 0 2 0 13 vaardigheid om zulke hoeveelheden aan gedetailleerde informatie heel snel op te slaan in ‘de bibliotheek’ van mijn brein, zoals inspanningsfysioloog Jos van Dijk dat mooi verw...

D e V o e t b a l t r a i n e r 2 5 0 2 0 2 0 13

vaardigheid om zulke hoeveelheden

aan gedetailleerde informatie heel

snel op te slaan in ‘de bibliotheek’ van

mijn brein, zoals inspanningsfysioloog

Jos van Dijk dat mooi verwoordt in het

nieuwe boek.

Coachen doe je vaak op intuïtie. Maar

ook ervaring speelt een rol. Zo heb ik

geleerd dat meteen kritische feedback

geven tijdens de actie op het trai-

ningsveld veel beter aankomt dan in

een gesprek na de training. Of als je

dat moment dan met geselecteerde

beelden van die situatie laat terugko-

men. Als het een teamtactische trai-

ning betrof en een speler benadeelde

door zijn gedrag het teambelang, zei

ik er toch meteen iets van. Zag ik iets

wat alleen belangrijk was om daarmee

één bepaalde speler te confronteren/

helpen, zei ik dat na afloop in een

gesprek. Ik denk dat veel trainers dat

onderscheid niet maken. Die aanpak

kost veel meer tijd, maar dat had ik

ervoor over. Tot mijn klus bij Man-

chester United stond ik zeker bij de

teamtactische trainingen al die jaren

altijd zelf op het veld. Dat veranderde

bij United, omdat ik in Engeland ook

meer als manager wilde functioneren.

Maar als ik dan toch enige kritiek mag

hebben op mijn toenmalige assistent

Albert Stuivenberg die toen de team-

tactische trainingen leidde bij United:

hij onderscheidde óók nog niet vol-

doende de momenten waarop je moet

coachen op teamzaken of op individu-

ele fouten van spelers. Zo moeilijk is

dat blijkbaar.

Een belangrijk uitgangspunt bij mijn

aanpak is altijd geweest dat de opge-

bouwde status van een speler geen

rol mag spelen als hij door zijn gedrag

het teambelang in gevaar brengt. Als

je dat toelaat, laat je toe dat het team-

buildingsproces wordt beschadigd. Dat

accepteerde ik nooit.’

Meer oog voor resultaat
‘Als coach ben ik natuurlijk ook tac-

tisch in al die jaren geëvolueerd. Ik

ben begonnen als Ajax-coach met

een DNA van geen rekening houden

met de tegenstander, altijd dominant

willen zijn en aanvallend voetbal spe-

len. Daarna ben ik geëvolueerd naar

de coach die vindt dat het resultaat

ook belangrijk is, dat je je spelers in

hun kracht moet zetten en de kwa-

liteiten van de tegenstander tot in

details moet kennen. Beslissend voor

dat kantelpunt in tactisch denken is

maandag 19 januari 1998 geweest. FC

Barcelona speelde onder mijn leiding

tegen het Valencia van Claudio Ranie-

ri, nu trainer van Sampdoria. Ik had

die dag gekozen voor o.a. Ruud Hesp,

Winston Bogarde, Pep Guardiola, Luis

Enrique, Rivaldo en Luis Figo. Twintig

minuten voor het einde van de wed-

strijd stonden we nog met 3-0 voor

door doelpunten van Luis Enrique,

Rivaldo en een eigen doelpunt. Maar

bij het eindsignaal was het 3-4 voor

Valencia, omdat we ook bij die 3-0 nog

als een idioot bleven aanvallen. Vanaf

die wedstrijd maakte ik andere tacti-

sche keuzes als het resultaat daarom

vroeg. Veel trainers krijgen met zo’n

kantelpunt in denken te maken, schat

ik in. Bij Erik ten Hag zal dat vorig

seizoen het missen van de Champi-

ons League-finale in de 97ste minuut

tegen het Tottenham Hotspur van Po-

chettino zijn geweest.

Ik heb ook de evolutie meegemaakt

van louter trainer-coach naar ma-

nager. Toen ik bij Ajax begon, gaf

ik leiding aan twee assistenten, één

fysiotherapeut en een materiaalman,

die ook nog de was erbij deed. Bij mijn

laatste club, Manchester United, gaf ik

als een manager leiding aan meer dan

honderd mensen! Bij United werkten

alleen al veertig mensen bij de perfor-

mance-afdeling. Bij een scoutingsver-

gadering moest ik ook aan zo’n veertig

mensen mijn visie uitleggen. Elke

speler die gescout werd, moest name-

lijk voldoen aan het profiel van een

bepaalde positie waar hij de kans had

te spelen. Dat profiel hadden wij als

staf gemaakt. Ook die dagelijkse staf

werd steeds groter en dat gold even-

eens voor de groep parttime experts

van buitenaf.

Tijdens het WK van 2014 in Brazilië

eindigden we bij het Nederlands elftal

elke dag met een bespreking waarin

de hele dag werd doorgenomen. Daar-

bij werd elk vakgebied binnen de staf

door één persoon vertegenwoordigd.

Alleen de drie fysiotherapeuten moch-

ten er altijd bij zijn, maar konden er

ook voor kiezen om één persoon af te

vaardigen. Die fysiotherapeuten ston-

den dichter bij de spelers en wisten

wat er in de groep speelde. Dat vond

ik extra belangrijke informatie.

Het mes sneed aan twee kanten: ik

kon onmogelijk alles zien en horen en

‘Louis van Gaal kan hard zijn, maar ook erg lovend. Het goede daarbij is dat

hij je bijna juichend begeleidt naar iets goed leren beheersen, maar zodra je

hebt laten zien dat je het kan? Dan eist ‘ie het ook van je. Zo denkt Louis. Dan

is dat nieuwe level, dat eerst een plafond leek, nu ineens je minimumgrens.

Dan moet het ook altijd honderd procent goed zijn, want je kunt het immers.

Dat zegt ‘ie ook tegen spelers: ‘O, jij was toch zo trots dat je het nu kunt? Dan

moet je het nu ook laten zien!’

Citaat Max Reckers uit ‘LVG, de trainer en de totale mens’, blz. 187

‘Een belangrijk uitgangspunt bij
mijn aanpak is altijd geweest dat

de opgebouwde status van een
speler geen rol mag spelen als hij
door zijn gedrag het teambelang

in gevaar brengt’

06-07-08-09-10-11-12-13-14-15-16-17_louisvangaal.indd 13 09-06-20 10:09