De Voetbaltrainer 250

Pagina 35 van: De Voetbaltrainer 250

Speelgedrag ‘De vaardigheden die kinderen nodig hebben om goed mee te kunnen doen tijdens een training, schaar ik onder speelgedrag. Bij kinderen van dezelfde kalenderleeftijd kan de fase waarin ze qua speelgedrag verkeren versc...

Speelgedrag
‘De vaardigheden die kinderen nodig

hebben om goed mee te kunnen doen

tijdens een training, schaar ik onder

speelgedrag. Bij kinderen van dezelfde

kalenderleeftijd kan de fase waarin

ze qua speelgedrag verkeren verschil-

lend zijn. Daarom is het belangrijk om

het gedrag van de kinderen goed te

observeren. Het zijn vaak kleine sig-

nalen die je een indicatie geven welk

speelgedrag ze wél of juist níet verto-

nen. Pas dan kun je oefenvormen kie-

zen die passend zijn. De fases in het

speelgedrag gaan van eenvoudig naar

complex(er). Je kunt de spelers uit je

trainingsgroep als het ware verdelen

over die fases en zodra je daar je oe-

fenstof op afstemt, zul je merken dat

er tijdens trainingen steeds minder

gedoe is en er effectief meer (minuten)

gewerkt wordt. Houd je géén rekening

met het speelgedrag, dan is het leer-

rendement in veel gevallen lager dan

het zou kunnen zijn, omdat de oefen-

stof niet of onvoldoende aansluit bij

de behoefte van het kind.’

In het tweede gedeelte van dit artikel

geeft Schmeits een overzicht van de

fases die binnen speelgedrag voor-

komen. Als trainer-coach probeer je

dus eerst te bepalen welk speelgedrag

je spelers vertonen. Op basis van die

inventarisatie ga je bepalen op welke

manier je de benodigde vaardigheden

aanbiedt. Hoe beter de match tussen

je observaties en de aangeboden oe-

fenstof, hoe hoger het leerrendement

van je training.

Fase 1: Naast elkaar spelen
‘Binnen speelgedrag is de eerste fase

die van het ‘naast elkaar spelen’.

Kleine kinderen willen vaak hetzelfde

doen, maar tegelijkertijd vinden ze

het lastig om rekening te houden met

elkaar. Kijk bijvoorbeeld naar twee

jonge kinderen die naast elkaar zitten,

maar wel beiden een eigen autootje

hebben om mee te spelen. Vanuit het

referentiekader van een volwassene

wordt gezegd dat ‘ze zo leuk samen

spelen’. Eigenlijk klopt die observatie

niet: ze spelen onafhankelijk van el-

kaar, naast elkaar. Als je kinderen

hebt die in deze fase zitten, kun je er

op het voetbalveld voor kiezen dat

elke speler zijn eigen materiaal en zijn

eigen werkruimte heeft. Bijvoorbeeld

een oefenvorm zoals in tekening 1: op

teken van de trainer-coach dribbelt

elke speler met zijn eigen bal om zijn

eigen pylon heen. Je kunt afwisselen:

linksom, rechtsom, binnenkant voet,

buitenkant voet, et cetera.’

Fase 2: Om de beurt spelen
‘De eerste stap die kinderen maken

in hun speelgedrag, is de stap van

het ‘naast elkaar’ spelen naar het

zogenaamde ‘om de beurt’ spelen.

Kinderen die in deze fase zitten, vin-

den het prima om even te moeten

wachten voordat ze aan de beurt zijn.

Er ontstaat pas een probleem als het

eerste kind te lang treuzelt. Voor de

voetbaltraining betekent dit dat ieder

kind een eigen bal heeft, maar dat de

werkruimte gedeeld kan worden door

er om-en-om gebruik van te maken.

Een voorbeeld: ieder kind heeft een

bal, maar doet met een ander kind

samen met de pylon. De trainer-coach

formeert tweetallen, waarbij elke

speler op zo’n vijf meter afstand van

de pylon begint. Op het teken van de

trainer dribbelt de eerste speler om de

pylon heen en dribbelt terug naar zijn

startpositie, waar hij de bal weer on-

der controle brengt. Het tweede kind

mag starten zodra het eerste kind om

de pylon is gedribbeld en aan de te-

rugweg is begonnen. Door het tweede

kind te laten beginnen als het eerste

kind aan de terugweg begint, maak

je optimaal gebruik van de gedeelde

werkruimte.’

???

D e V o e t b a l t r a i n e r 2 5 0 2 0 2 0 35

‘Het is belangrijk om het
speelgedrag van kinderen te
observeren, pas dan kun je

oefenvormen kiezen die
passend zijn’

1 2

34-35-36-37_schmeits.indd 35 09-06-20 10:11