De Voetbaltrainer 250

Pagina 36 van: De Voetbaltrainer 250

Fase 3: Samen-delen-spelen ‘Na het om de beurt spelen leren kin- deren in deze derde fase om ál het materiaal te delen. Ze maken er om- en-om gebruik van en helpen elkaar om aan het materiaal te komen. In deze fase is elke kind e...

Fase 3: Samen-delen-spelen
‘Na het om de beurt spelen leren kin-

deren in deze derde fase om ál het

materiaal te delen. Ze maken er om-

en-om gebruik van en helpen elkaar

om aan het materiaal te komen. In

deze fase is elke kind echter nog wel

zélf verantwoordelijk voor zijn of haar

eigen actie en indien van toepassing

dus ook voor het behalen van een

punt. Een voorbeeld in tekening 3:

twee kinderen staan tegenover elkaar,

hebben samen de beschikking over

één bal. Op het teken van de trainer

dribbelt een speler vanaf de achterlijn

tot aan het witte hoedje, en speelt de

bal tussen de pylonen naar degene die

bij hem hoort. Elke keer dat het lukt

om tussen die pylonen door te spelen

(ongeacht waar de bal eindigt), wordt

er een punt verdiend. Op die manier

www.devoetbal trainer.nl36

De Jeugd VoetbalTrainer

komt ook een bal die niet door het

hoedje gespeeld wordt uiteindelijk

bij de medespeler terecht. De afstand

tussen de twee pylonen bepaalt de

moeilijkheid van de opdracht. Zorg er

als trainer altijd voor dat er een goede

balans is tussen lukken en misluk-

ken. Het succespercentage zou ergens

tussen de vijftig en tachtig procent

moeten liggen. Na een bepaalde tijd

vraagt de trainer-coach aan élk kind

hoe vaak het is gelukt om een punt te

scoren.’

Fase 4: Samenwerk-spelen
‘Het samenwerk-spelen kenmerkt

zich, in tegenstelling tot samen-delen-

spelen, door het hebben van een

gezamenlijke verantwoordelijkheid.

Voor de voetbaltraining betekent dit

dat kinderen naast het delen van het

materiaal en de ruimte nu ook van

elkaar afhankelijk zijn voor het suc-

cesvol volbrengen van de opdracht en

dus voor het scoren van punten. Een

voorbeeld in het verlengde van fase

3 is tekening 4: er wordt in tweetal-

len gewerkt, waarbij spelers proberen

elkaar de bal tussen de pylonen door

toe te spelen. Degene die de bal ont-

vangt, is verplicht om te starten vanaf

de achterlijn en mag een korte dribbel

maken voordat hij afspeelt. Na ver-

loop van tijd vraagt de trainer-coach

afwisselend aan één speler van elk

tweetal hoeveel punten er samen zijn

behaald. Als je dit afwisselt, dwing je

iedereen om te tellen en dus om de

aandacht erbij te houden.’

Fase 5: Tegen elkaar spelen
‘Op alle eerdere niveaus was er altijd

een individueel belang of een geza-

menlijk belang. Van enige tegenstand

is tot dusverre geen sprake geweest.

In veel teamsporten eindigt een trai-

ning vaak met een partijtje. In dat

partijtje spelen twee teams tegen

elkaar en is er dus sprake van een

tegengesteld belang. Het tweetal waar

het kind in deze vijfde fase onderdeel

van uitmaakt, heeft een ander belang

dat het tweetal dat ertegenover staat.

Dit tegengestelde belang kent twee

delen: het herkennen van het tegen-

gestelde belang is daarvan het eerste

deel. Denk bij een potje trefbal aan

het feit dat een kind puur erop uit is

om een pylon bij de tegenstander om

te gooien, en niet reageert op degene

van de tegenpartij die precies op het-

zelfde moment hetzelfde beoogt aan

de andere kant van het veld. Spelers

die een tegengesteld belang herken-

nen, afwegen en een keuze maken,

zijn daarentegen al een stapje verder.

Zo’n kind kan besluiten om bij trefbal

eerst het schot van de tegenstander te

gaan verdedigen, alvorens zelf te gaan

aanvallen. In tekening 5 een eenvou-

dig voorbeeld van partijtjes 2:2, waar-

bij er sprake is van dit tegengestelde

belang. Na een bepaalde tijd kunnen

de teams worden gerouleerd.’

Schmeits zal de laatste zijn om te

zeggen dat een partijspel geen nut

heeft, als het besef van winst en ver-

lies bij een kind in mindere mate of

helemaal niet aanwezig is. Maar om

3

4

34-35-36-37_schmeits.indd 36 09-06-20 10:11