Wat maakt het kijkgedrag van spelers zo belangrijk? Allereerst zijn er veel verschillende informatiebronnen op een voetbalveld: namelijk tweeëntwintig spelers en een bal. Van elk ‘object’ is er informatie over de positie, de snelheid, het moment en de richting te achterhalen. Wanneer een speler goed om zich heen kijkt, is hij in staat om deze informatie te vergaren. Xavi Hernández was daar in zijn periode als voetballer een koning is. Aan de hand van deze informatie kunnen spelers hun acties afstemmen. Met andere woorden: hierdoor kunnen ze anticiperen op tegenstander en medespelers. De spelers en de bal zijn continu in beweging, waardoor de informatie frequent moet worden geüpdatet. Dat is de reden dat Xavi zijn omgeving zo vaak aan het scannen was.

Kijkgedrag binnen een pass- en trapvorm

Ook aan een pass- en trapvorm kan een element worden toegevoegd waarin het kijkgedrag wordt meegenomen. Dat is terug te zien in onderstaande trainingsvorm van Zeb Jacobs. Per organisatie zijn er drie spelers. Deze spelers zijn verdeeld zoals te zien is de afbeelding: één speler in het midden en twee spelers op de kopse kant. De oefening begint met het inspelen van de speler in het midden. Deze speler heeft twee opties: de bal kaatsen of in zijn aanname opendraaien. De keuze die hij maakt is afhankelijk van de speler onderin. Als deze speler op zij beweegt op het moment dat de middenman wordt ingespeeld, moet hij opendraaien. Maar als hij blijft staan, betekent dat dat de speler in het midden moet kaatsen. Op die manier traint hij zijn kijkgedrag. De speler in het midden moet continu scannen op zo de juiste keuze te maken.

Meer informatie >>

kijkgedrag pass- en trapvorm

Kijkgedrag in een 2:1-situatie

Ook in dynamische oefenvormen is het kijkgedrag goed te trainen. Een voorbeeld daarvan is onderstaande trainingsvorm. Deze vorm begint met een 2:1-situatie in het midden. De oranje speler is de verdediger, de twee blauwe spelers zijn de aanvallers. Het spel begint met een pass van oranje naar blauw. Hierna mag de verdediger direct druk zetten. De aanvallers proberen te scoren op één van de vier kleine doeltes. Voor elk doeltje is een vak gemaakt. Daarin staat, op één doeltje na, een verdediger. Er zijn dus drie gele verdediger om vier kleine doeltjes te verdedigen. De gele spelers mogen wisselen van doeltje. Dat betekent dat er elke keer een ander doeltje vrij is. Hierin trainen de twee blauwe aanvallers hun kijkgedrag. Continu moeten zijn de omgeving scannen om te kijken waar het vrije doeltje is. Tegelijkertijd hebben zij ook te maken met de oranje verdediger. Ze moeten zorgen dat de bal uit zijn bezit blijft, terwijl ze op zoek gaan naar het vrije doeltje.

Meer informatie >>

kijkgedrag 2:1

Kijkgedrag in een chaos-situatie

In de volgende oefening wordt het kijkgedrag gecombineerd met chaos-situaties. In totaal is het 3:2. De drie aanvallers hebben echter de beschikking over twee ballen. Beide ballen moeten zij in bezit houden. De verdedigers proberen de ballen af te pakken. Op het moment dat de verdediger de bal verovert, wisselt hij van rol met de aanvaller van wie hij de bal afpakte. Het is daarom belangrijk dat de verdedigers de hesjes in hun hand houden. Zo kunnen zij snel wisselen nadat de bal is afgepakt. Doordat er twee ballen zijn, heeft er één aanvaller geen bal. Hij moet zorgen dat hij ondersteunt bij de speler die dat het meeste nodig heeft. Met andere woorden, bij de speler die in de meest ongunstige situatie is om de bal te houden. Daarom moet deze speler goed om zich heen kijken. Op die manier traint hij zijn kijkgedrag. Het kan zo zijn dat deze oefenvorm te moeilijk is voor een aantal spelers. Dan maak je als trainer-coach een methodische stap. Een manier om dat te doen is een extra aanvaller toe te voegen. Dan wordt er dus 4:2 gespeeld, waardoor het makkelijker is voor de aanvallers om de bal in bezit te houden.

Meer informatie >>

kijkgedrag twee ballen

Awareness binnen een 6:2 rondo

Een ander voorbeeld van een vorm waarin het kijkgedrag centraal staat, is de awareness binnen een 6:2 rondo. Er zijn twee rondo’s uitgezet naast elkaar. In beide vakken wordt er 6:2 gespeeld. Het zestal speelt op balbezit en het tweetal moet de bal afpakken. Als het één van de verdedigers lukt om de bal af te pakken, wisselt hij met de speler waarvan hij de bal afpakte. Daardoor wisselen de spelers die in het midden staan continu. Er is echter een regel, waardoor het voor de zes aanvallers nog moeilijker wordt. Op het moment dat zij een pass geven, moeten zij de naam noemen van één van de twee spelers die in het andere vak aan het verdedigen zijn. Dat sluit aan bij een principe: het moment waarop je moet kijken is vóór, tijdens en na het ontvangen van de bal. In dit geval ligt de focus dus op het laatste. Je bent nog niet klaar als je de bal hebt afgespeeld, maar je kijkt direct om je heen om te zien hoe het staat in het veld en baseert daarop je vervolgactie. Dit kijken ná je voetbalactie wordt met deze extra regel gestimuleerd. Vanuit de wedstrijdsituatie kun je nog het onderscheid maken tussen het aanvallende en verdedigende gedeelte. Aanvallend kijk je waar je eventueel naartoe kunt bewegen, bijvoorbeeld om de bal weer te ontvangen. Verdedigend kijk je hoe de restverdediging staat.

Meer informatie >>

TrainingsPlanner

Wil je toegang krijgen tot tientallen oefeningen over kijkgedrag? En daarnaast nog tot vele honderden positiespelen, pass- en trapvormen, partijspelen en andere oefeningen? De TrainingsPlanner is al beschikbaar vanaf €50 per jaar. Daarmee heb je onbeperkt toegang tot alle oefeningen. Daarnaast kun je leerlijnen gebruiken, een agenda aanmaken, gehele trainingen downloaden en je favoriete vormen opslaan.

Meer informatie >>

trainingsplanner