: ‘Het is een lijstje dat ons ook bereikt heeft. Het is zeker een opvallend feit. Toen Dirk en ik vorig jaar in februari hier binnenkwamen, constateerden we dat de club behoorlijk geknakt was. In de laatste zeventien wedstrijden was veertien keer verloren en het vertrouwen was tot het nulpunt gedaald. Niet alleen in het elftal, maar ook verder binnen de club. Toen ik begon waren er mensen in de club die me met tranen in de ogen smeekten of ik er alsjeblieft voor kon zorgen dat we de nacompetitie zouden halen en dus niet rechtstreeks zouden degraderen. De nood was echt hoog. Na twee dagen speelden we uit tegen Go Ahead Eagles en dat verliep niet bepaald goed. Dat was voor ons wel de bevestiging dat we het qua benadering van spelers en qua speelwijze anders zouden moeten aanpakken.’
Staf erbij betrekken
Toen u had geconcludeerd dat het beduidend anders moest, wat waren toen de eerste dingen die u gedaan heeft?
Fons Groenendijk: ‘Wanneer je constateert dat de situatie waarin je je bevindt niet goed is, moet je ergens een nieuwe start maken. Onze aanpak begon bij de staf. Dat was ook het begin punt voor het groepsproces, want ook binnen de begeleiding was het vertrouwen weg. Het alternatief is dat je meteen de kleedkamer binnenstormt en van alles gaat roepen, maar het begint uiteindelijk bij de mensen die het collectief moeten uitdragen. We hebben er een missie van gemaakt: handhaven zonder nacompetitie te hoeven spelen. Samenwerking begint dus in de trainerskamer. Iedereen moet zich betrokken voelen bij het plan en daarin ook een rol hebben. Ook in de staf moeten de medewerkers de kans voelen om hun kwaliteiten te laten zien. Dat start bij bepaalde vrijheden geven en uiteraard als hoofdtrainer wel bewaken dat iedereen zijn taak goed uitvoert. Dat betekent dat je met de fysiektrainer, de keeperstrainer, de videoanalist en andere begeleiders in gesprek gaat. En alles wat ze nog dwarszat, moest op tafel. Niet dat je na verloop van tijd nog geluiden opvangt van ontevredenheid bij bepaalde medewerkers. Alles oplossen en gezamenlijke plannen maken en daarin geloven, pas daarna ga je de kleedkamer in. De eerste maanden speelde Ekrem Kahya een goede rol in de staf. Toen hij vertrok naar Turkije, bleek zijn opvolger Edwin de Graaf een prima keuze.’
Dirk Heesen: ‘Daarna is het zaak heel goed te kijken naar de kwaliteiten van je spelers. Wij hebben niet zozeer veel gewijzigd in het systeem, maar wel in de taken van sommige spelers en posities. Geen goals tegen krijgen was in het begin essentieel. Dat kon voor vertrouwen zorgen. De eerste wedstrijd was dus nog heel zwak, maar toen hadden we ook nog slechts tweemaal getraind. Het tweede duel, tegen Feyenoord, ging al behoorlijk goed en toen zag je al iets ontstaan in het elftal dat vertrouwen in de speelwijze uitstraalde. Na twee gelijke spelen gingen we daarna winnen. Maar de omgang met elkaar is ook van enorm belang. Op een goede, prettige en duidelijke manier met elkaar omgaan. Zoals wij zelf behandeld willen worden, behandelen we onze spelers en collega’s ook.’
Fons Groenendijk: ‘Essentieel was duidelijkheid in de speelwijze. Geen geswitch van systemen, maar één speelwijze die iedereen kent en waarin iedereen vertrouwen kan kweken. We kozen bij het verdedigen in het begin voor 1:4:5:1, waardoor we compacter stonden dan voorheen. In balbezit kon dat natuurlijk heel eenvoudig 1:4:3:3 worden. Tegen Feyenoord werden we teruggedrukt en hebben we vooral verdedigd, maar ondanks de nederlaag gingen we wel met applaus van het veld af. Het team vocht voor een resultaat en ondersteunde elkaar goed. Dat was de winst van die wedstrijd. Vanaf dat moment is er iets ontstaan in het elftal en in de combinatie tussen de spelers en de staf. Daar kwam het geluk bij dat onze keuzes vrijwel allemaal goed uitpakten. Zowel in de speelwijze als in de keuze van de spelers. In zo’n ontwikkelingsproces is het belangrijk dat spelers leren zich op de goede dingen te focussen. Ik heb Marc Lammers, de voormalige hockeytrainer, uitgenodigd om daarover te vertellen. Dan gaat het over de cirkels van invloed. Waar heb je invloed op, waar niet? De meeste invloed heb je op je eigen taak. Die positie, wat hoort daar nu precies bij? Ik ben dus heel erg gaan coachen op taken. De rest, zoals alle kritiek van televisieprogramma’s, moet je ver van je houden. Sta je onderaan, word je afgebrand. Dat is een gegeven. Ik heb zelf ook weleens een tijdje onder vuur gelegen. Ik ben gewoon gestopt met kijken. Je hebt er toch geen invloed op. Als je niet kijkt, los je veel op. En kun je je tijd wijden aan zaken die je wel kunt sturen. Dat geldt ook voor social media. Laat het gaan en richt je op wat helpt: train goed, eet en drink verstandig, neem voldoende rust.’

U zegt daarnet ‘geluk’ maar dat is het natuurlijk niet. Want u maakt uw keuzes niet zomaar.
Fons Groenendijk: ‘Mijn visie op voetbal is dat ik mijn visie over hoe gespeeld moet worden laat afhangen van het spelersmateriaal. Ik kan van alles willen, het moet bij mijn spelers passen. Zij moeten het kunnen uitvoeren. Het risico is anders dat je spelers gaat overvragen. Wij hebben geprobeerd het in elk geval niet te moeilijk te maken. Ze hadden immers al weinig vertrouwen, wanneer je dan dingen gaat vragen die ze nog niet beheersen wordt dat alleen maar erger. Het menselijk aspect is daarnaast heel belangrijk geweest. In het begin waren we meer psycholoog dan voetbaltrainer. We hebben met spelers persoonlijke plannen gemaakt en die spelers daar ook vanaf de start in meegenomen. Zo hebben we bijvoorbeeld met spits Mike Havenaar, die wel trainde maar in het begin nog niet wedstrijdfit was, zijn ontwikkeling doorlopend besproken en exact het moment bepaald dat het juiste was om hem weer te laten starten. Maar dat moment wist hij wel al ruim van tevoren, omdat we dat met hem bespraken. We haalden daarna negen punten uit drie wedstrijden, en telkens met doelpunten van Havenaar. En dat is natuurlijk voor een trainer ook wel deels geluk. Schiet hij ze er niet in, heb je een ander verhaal.’
Dirk Heesen: ‘Een belangrijke factor is ook rust creëren geweest. In dat kader kwam er ook een keeperswissel. Doelman Setkus was een prima keeper, maar in de taal functioneerde het niet omdat hij die niet sprak. Alleen dat al was een reden om voor Zwinkels te kiezen, waardoor er onderling betere communicatie ontstond. Gewoon simpele dingen als ‘ik doe dit, jij doet dat’. Dat ontbrak er voor die tijd nogal eens aan en door middel van goede coaching kwam dat terug. Ook die beslissing pakte heel goed uit.’
Rust en vertrouwen Is dat creëren van rust en onderling vertrouwen een van uw sterke kwaliteiten als trainer?
Fons Groenendijk: ‘Als je jezelf als trainer bekijkt, probeer je jezelf weleens ergens te plaatsen. Misschien zijn er betere trainers dan ik, dat zou kunnen. Maar ik denk dat ik wel goed ben in mensen ergens in laten geloven. Dat doe ik door telkens met ze in gesprek te blijven, het menselijke aspect te benadrukken. Deze ploeg had dat wel nodig. Verder probeer ik ook op het trainingsveld aan te voelen met welke benadering we de ploeg aan de gang kunnen krijgen. Bij een team dat op een dood spoor zit, moet je ook kijken naar je trainingsvormen. Daar moet ook dynamiek en plezier in zitten. Dat is uitstekend gelukt. Je zag al snel weer lachende gezichten. Er veranderden dingen en dat was op dat moment ook nodig. Het is niet vanzelfsprekend, en dat zie je nu ook wel aan teams in de Eredivisie die het moeilijk hebben. Een negatieve spiraal buig je niet zomaar om.’
U noemt al enkele malen de term ‘het menselijke aspect’. Kunt u daar iets meer over vertellen?
Fons Groenendijk: ‘Om te beginnen zijn Dirk en ik beiden no-nonsense figuren, we spreken ook door onze eigen carrières de taal van de spelers. We zijn ook trainers die een speler weleens bij zijn kraag kunnen pakken: tot hier en niet verder. We hebben aangegeven dat wij als trainers de kar zouden trekken, maar dat één uitgangspunt heilig was: de kleedkamer is een veilige omgeving. We gaan het met deze groep doen en alles wat hier gezegd wordt, blijft hierbinnen. Dus geen geluiden van ontevreden spelers in de pers of op een andere manier teksten die schade kunnen berokkenen. Als je slecht speelt, krijg je het hier te horen en in het openbaar zullen de trainers je beschermen. Als we verliezen, draagt de trainer dat naar buiten. Maar wat we er onderling van vinden, blijft binnenskamers. Die duidelijkheid vind ik erg belangrijk. Als we kijken naar de speelwijze, vind ik dat de spelers de vrijheid moeten voelen om initiatief te nemen. Dat wil ik eigenlijk van alle elf spelers zien. Neem bijvoorbeeld onze backs, die komen in hun kracht wanneer ze kunnen opkomen. Daar kunnen ze hun loopvermogen en voetballend vermogen in kwijt. Dus ik moedig ze aan om dat te doen. Maar het geldt ook voor de middenvelders. Danny Bakker, onze verdedigende middenvelder, speelt weliswaar vooral controlerend maar van bijvoorbeeld Lex Immers verwachten we dat hij behalve controlerend ook aanvallend invloed uitoefent. En dan gaat het natuurlijk altijd om balans. Je hebt twee spelers nodig die de restverdediging bewaken. Beugelsdijk en Bakker hebben er ook echt plezier in om dat te bewaken. Het past bij hen. Dus ook daarmee zie je dat je spelers vertrouwen en plezier geeft, wanneer ze een rol hebben die bij ze past. Ik probeer dingen eenvoudig te houden en niet groter te maken dan ze zijn. Neem een aantal tegendoelpunten in de beginfase van wedstrijden. Die hebben we gehad, en natuurlijk praat je daar als staf over: hoe kan dit? Doen we dingen verkeerd, bereiden we de spelers niet goed voor? Maar naar de spelers toe maak ik er geen groot item van, want het kan ook gewoon toeval zijn. Hetzelfde geldt voor het missen van kansen. Als ik een speler daar telkens op wijs, staat hij bij de volgende kans ultragespannen voor het doel. Dat is niet wat ik wil. Gevoelsmatig denk ik dat hoe vaker ik erover begin, des te groter het probleem wordt.’
