Mijn account AbonnerenInloggen
  • Home
  • Vakblad
  • Mediatheek
  • TrainingsPlanner
  • CoachVak
  • Academie
  • Shop
  • Artikelen
  • VBT Basis
  • Meer
    • Trainer gezocht
    • Nieuwsbrief
    • Top 200
    • Rinus Michels Awards
    • Ideeënbox
    • Adverteren
    • Abonneeservice
    • Klantenservice
    • Contact

Home > Artikelen > Omschakeling bij A-junioren

Omschakeling bij A-junioren

14 december 2017 | Henny Kormelink | Omschak. a/v, Onder 18/19, Omschak. v/a

Pascal Jansen en Pieter Schrassert Bert spelen met hun teams in de A-junioren Eredivisie. Zij kwamen elkaar eerder dit seizoen tegen (5-2 winst voor PSV) maar schromen geenszins om zeer openhartig hun visie met elkaar te delen. Jansen en Schrassert-Bert kennen elkaar vanuit een gezamenlijk verleden bij Sparta. Zij delen dan ook diverse inzichten, maar mede gebaseerd op de uitgangspunten die bij hun huidige clubs inmiddels gelden, blijkt ook dat er niet één weg naar Rome leidt.

Uitgangspunten

Als we het hebben over het begrip ‘omschakelen’, welke uitgangspunten zijn dan binnen uw werkwijze vooral van belang?

Pascal Jansen: “Bij PSV is vanuit het eerste elftal een heel duidelijke lijn ingezet, die vervolgens methodisch wordt uitgewerkt naar de jeugdelftallen. Dat houdt in dat je met elkaar gaat sparren hoe je daar het beste invulling aan kunt gegeven. Bij het omschakelen waren we het heel snel eens. We willen de bal zo snel mogelijk veroveren. Dat betekent dat je laatste lijn tegen de middenlijn moet kunnen spelen en dat de spelers bereid zijn heel veel energie te steken in het veroveren van de bal. Maar ze moeten ook tactisch worden geschoold. Het moet allemaal wel met een idee gebeuren.”

Pieter Schrassert Bert: “Ook wij hanteren een vaste speelwijze binnen onze jeugdopleiding, waarbij omschakelen een vaste plek heeft. Bij ons zijn wij ervan overtuigd dat omschakelmomenten van korte duur zijn, het is vaak de reactie en/of het moment plus een aantal seconden. Dus je zit vrij snel in de teamfuncties aanvallen en verdedigen. Zo snel mogelijk gebruik maken van de desorganisatie van de tegenstander (met name in de omschakeling naar aanvallen) en zo snel mogelijk georganiseerd komen (in de omschakeling naar verdedigen) zal dus prioriteit hebben. Vandaar ik deze teamfuncties vaak probeer te koppelen gedurende het seizoen. In het begin van het seizoen probeer ik ze wel individueel in een week te belichten. Als wij de bal verliezen, proberen we altijd snel weer druk op de bal te hebben. We willen hoe dan ook de dieptepass bij de tegenstander eruit halen. We proberen ook een vijf-secondenregel te hanteren en foutieve passes of een pass achteruit af te dwingen. Daarna gaan we zo snel mogelijk compact staan om weer een georganiseerde situatie te creëren.”

Pascal Jansen: “Hetgeen Pieter schetst, is heel herkenbaar. Het is ook onderdeel van de Nederlandse School om zo snel mogelijk de bal weer te willen hebben. In dat opzicht verschillen we weinig. Maar bij PSV is het wel bepalend wáár we de bal verliezen. Als we hem verliezen op de helft van de tegenpartij, probeert de dichtstbijzijnde speler zo snel mogelijk druk te zetten want we willen de bal direct terugveroveren. Dat moet in de hoofden van de spelers prominent aanwezig zijn. In het proces van het heroveren van de bal gaat veel energie zitten. Bij PSV is van groot belang dat we gegroepeerd druk willen blijven zetten. Als wij de bal hebben, bereiden we ons tegelijkertijd ook voor op het moment dat we hem kwijtraken. De afstanden 1 tussen de linies moesten dusdanig zijn, dat de loopafstanden goed zijn en dat je maximale druk kunt uitoefenen. In onze speelwijze zijn daarvoor de twee aanvallende middenvelders heel belangrijk. Zij moeten ook aanvoelen of het moment van druk zetten na drie of vier seconden nog steeds functioneel is, of dat we compact moeten gaan staan. Wanneer we zien dat de tegenstander in staat is om onder onze druk uit te spelen, is onze regel dat de nummer 9 direct terugvalt tot op de rand van de middencirkel. De laatste linie moet dan ongeveer op de helft van de eigen helft staan, zodat de maximale afstand tussen de linies maximaal 35 meter is. De rest komt daar dan tussen te spelen. De nummer 8 en de nummer 10 moeten dit proces aansturen. (zie tekening 1) Als het zich afspeelt rond de middenlijn, gelden nog steeds dezelfde principes maar dan heb je te maken met vragen als: geven we ruimte achter onze linie weg, kunnen we druk op de bal houden. Verlies je de bal nog dichter bij je doel, dreigt er vaak ogenblikkelijk een kans voor de tegenpartij. Een aantal spelers zal zich nog vóór de bal bevinden. Dan wordt het belangrijk om de situatie op te houden zodat die andere spelers zich kunnen herstellen en in positie kunnen komen.”

Speelt voor de vraag óf je druk zet en wáár je dat doet, ook de stand in de wedstrijd een rol?

Pascal Jansen: “Dat maakt eigenlijk geen verschil. We streven altijd naar dezelfde speelstijl, ongeacht de stand of de weerstand. Maar of je dat consequent kunt volhouden, hangt wel af van elementen zoals de tegenstander. Je probeert de spelers bij te brengen dat ze verantwoorde keuzes maken. In de wedstrijd tegen Heerenveen wist de tegenstander goed onder onze druk uit te spelen. Wij gaven te veel ruimte weg tussen de linies. Je ziet dan in de nabespreking aan de hand van de beelden dat we wel de goede intenties hadden, maar de voorwaarden 1 niet voldoende creëerden. En dat we toen niet voldoende dicht bij elkaar speelden. De 8 en de 10 hadden toen langer moeten wachten met druk zetten en zich eerst moeten realiseren dat de ploeg compact moest komen te staan.”

Pieter Schrassert Bert: “In de wedstrijd tegen PSV A1 van Pascal die we onlangs speelden, schiepen wij in aanvallend en opbouwend opzicht niet de juiste voorwaarden en maakten we verkeerde keuzes. Daardoor gaven wij PSV de kans in een vroegtijdig stadium de bal te veroveren. In die opbouw stonden wij natuurlijk nog ‘groot’ en we hadden uiteraard de intentie om bij balverlies de ruimte direct weer ‘klein’ te maken, maar het ontbrak aan tijd. Het probleem zit dan niet zo zeer in de omschakeling, maar in de opbouw. Het is belangrijk om in je analyse dat goed te herkennen. Als je al bij je verdedigers de bal verliest, wordt tijdig omschakelen erg moeilijk. Bij balverlies proberen wij bij Sparta direct druk op de bal te geven, waardoor alle spelers de tijd krijgen om hun posities weer in te nemen. Daarvoor laten we de tegenstander vaak de mogelijkheid om de bal vrij terug te spelen op hun eigen verdedigingslinie of keeper, juist om die tijd te realiseren en weer in een georganiseerde situatie te komen.”

Drie delen

Als we het omschakelen van aanvallen naar verdedigen eruit lichten, hoe is dit dan in uw team georganiseerd op diverse delen van het veld?

Pascal Jansen: “We delen bij PSV het veld in feite in drie stukken. Verliezen we de bal in de meest aanvallende zone, dan is de bedoeling dat de verdediging snel richting de middenlijn oploopt om daar de ruimtes klein te houden als we druk zetten. De middenvelders kunnen dan snel aansluiten bij de aanvallers, die op hun beurt druk uitoefenen. Een van de twee aanvallende middenvelders kan dan doorstappen op een centrale verdediger die van ons aan de bal mag komen, op het moment dat die middenvelder ziet dat onze 9 uitgespeeld gaat worden. Waarbij het van belang is dat we niet alleen de ruimte klein maken in de lengte van het veld, maar ook in de breedte. We bevinden ons dus in meerderheid aan de kant waar de bal is.” (zie tekening 2)

Pieter Schrassert Bert: “Hoewel wij binnen Sparta anders dan PSV A1, dat met de punt naar achteren speelt, op ons middenveld met de punt naar voren spelen, zijn er bij balbezit toch overeenkomsten die ook weer gevolgen hebben voor onze omschakeling. Van een van onze twee controlerende middenvelders vragen wij ook operationele ruimtes te bespelen. De andere zal daarop reageren en een meer controlerende functie op zich te nemen om het spel te verdelen en de restverdediging in de gaten zal houden. Door deze formatie komen wij aanvallend ook vaak in de punt naar achteren uit, en dus ook op momenten dat we in de aanval de bal verliezen.”

Waar treden de verschillen op als we kijken naar een driemans middenveld met de punt naar achteren of naar voren? Pascal Jansen: “Je ziet hier wel een wezenlijk verschil optreden in het spelen met punt naar achteren of met de punt naar voren. Als Sparta de bal verliest, hebben ze vaak nog zes mensen achter de bal. Wij hebben dan vaak maar vijf mensen achter de bal. Vandaar ook dat die twee aanvallende middenvelders heel bepalend zijn om op de helft van de tegenstander druk te houden. Maar niet iedere middenvelder heeft daar evenveel gevoel voor. Wij proberen dus een situatie te creëren waarin we de middenvelder kunnen laten doorschuiven, die dat het beste begrijpt. De ander moet hierin nog stappen maken. Maar je praat dan wel vooral vanuit het hoofdmoment verdedigen. In de omschakeling verlies je de bal ergens op het veld, en dan kan het niet zo zijn dat vanuit je middenveld altijd dezelfde man de druk moet zetten. Dat is niet te belopen. Dus we moeten ze allebei scholen in het herkennen van het moment van pressie zetten. We willen de bal zo snel mogelijk hebben, dus de dichtstbijzijnde moet het dan doen.”

Pieter Schrassert Bert: “Een verschil in spelopvatting is dat zij de bal te allen tijde zo snel mogelijk weer terug willen hebben. Bij Sparta willen wij spelers graag leren om direct betrokken te zijn en geen treurmomenten te hebben. Hiervoor willen wij ze begeleiden om de juiste keuzes binnen de speelwijze te maken, zo ook binnen het omschakelen. Natuurlijk willen we direct de bal terugveroveren. We zijn echter ook tevreden als we de bal terug uit kunnen dwingen omdat de situatie daar op dat moment om vraagt, waardoor wij de tijd krijgen weer een georganiseerde situatie neer te zetten. Als wij vanuit die situatie de bal kunnen veroveren, zijn we weer direct bewust van het feit dat we van daaruit tot kansen kunnen komen. Dus als we de bal hoogop verliezen, we staan nog niet goed georganiseerd en we zijn in staat de tegenstander te dwingen de bal uit te halen en terug te spelen, dan zijn we vaak tevreden. Dat heeft ook met kwaliteit te maken. Wij kunnen goed reageren, dus als we de tegenstander in onze verdediging naar een kant kunnen dwingen en de bal kunnen veroveren, is het prima. Natuurlijk veroveren we de bal het liefst zo dicht mogelijk bij het doel van de tegenstander, echter we zijn ons bewust van onze kracht om vanuit balverovering in fase 2 in de omschakeling naar aanvallen gevaarlijk te kunnen worden.”

Compact spelen

Hoe lost u de situatie op wanneer de tegenstander met de punt naar achteren speelt?

Pascal Jansen: “Daarop passen wij ons in verdedigend opzicht aan. We schuiven dan een middenvelder door naar hun controlerende middenvelder, waardoor wij in een andere bezetting komen te spelen. Doen we dat niet, worden de afstanden te groot. Iedereen krijgt dan een directe tegenspeler. Dan kan het pressiemoment variëren, omdat je niet in je ideale formatie staat waarin je gewend bent om druk te zetten. Hebben we de bal eenmaal veroverd, willen we wel zo snel mogelijk weer in onze uitgangspositie komen: twee aanvallende middenvelders, één controleur.” (zie tekening 3)

Stel dat een van uw middenvelders doordekt op de centrale verdediger van de tegenstander, kun je er dan ook voor kiezen om een van je eigen centrale verdedigers te laten doordekken op een van hun middenvelders?

Pascal Jansen: “De centrale verdedigers móeten, als de situatie daarom vraagt, één-tegen-één kunnen spelen met het oog op de toekomst in het eerste elftal. Spelers moeten anticiperen op wat de situatie vraagt. Vindt het doordekken van onze middenvelder plaats diep op hun helft en zijn de ruimtes groot, is het niet logisch dat een centrale verdediger gaat doordekken. Hij laat dan een enorme ruimte in zijn rug achter. Dekt hij wél door – de linies staan dan dus dicht op elkaar – dan is het een 3 vereiste dat de backs de ruimte naar binnen toe kleiner maken.”

De term ‘compact spelen’ is al enige malen gevallen. Wat betekent dit concreet voor uw elftal?

Pieter Schrassert Bert: “Binnen het verdedigen praten we dan over een afstand van de helft van een helft tot aan de kop van de cirkel op de andere helft. Maar als Pascal zegt dat zij in het omschakelmoment kunnen kiezen voor het doorsturen van een middenvelder én het doorsturen van een centrale verdediger, moet ik zeggen dat wij daar niet direct voor zullen kiezen. Bij ons ligt de nadruk dan op het ophouden van de situatie door de tegenstander terug te dwingen en dan terugkomen in onze startopstelling van waaruit wij de bal willen veroveren. We willen achterin een man overhouden. We zullen ook niet met onze laatste linie extreem aansluiten wanneer een tegenstander de bal ver achteruit speelt. Wij proberen vanuit onze meest voordelige positie de bal te veroveren en gebruik te maken van de ruimtes die in de omschakeling naar aanvallen ontstaan in de rug van de tegenstander.”

Vrijspelen of diep spelen?

We sluiten hiermee het thema omschakelen naar verdedigen af. Waar liggen de accenten als het gaat om het omschakelen naar aanvallen?

Pascal Jansen: “Het is een mooi moment om hierover te gaan praten. Als Sparta niet doorstapt vanuit de laatste linie op het moment dat wij de bal veroveren, ontstaan er voor ons mogelijkheden om tussen de linies mensen vrij te spelen. Het is zaak om die te vinden.”

Pieter Schrassert Bert: “Het eerste uitgangspunt binnen onze opleiding is dat we de bal die we veroveren, proberen diep te spelen. Aanvallers zullen dan ook direct uit zijn op diepte. Wij willen echter vooral spelers zelf bewuster laten worden van de risico’s die dat met zich meebrengt. Daardoor is het vrijspelen van de bal in de omschakeling een belangrijke. Dit kan een voorwaarde zijn om toch weer de diepe ruimtes te bespelen, maar ook hebben de verdedigers afhankelijk van de situatie bij balwinst de opdracht om het veld naar achteren meteen groot te maken. Kom ik voor de keuze tussen de bal eerst vrijspelen, zekerheid van balbezit creëren en van daaruit zoeken naar mogelijkheden, of direct diepspelen met een flinke kans op balverlies, dan kies ik voor het eerste. Dus we spelen de bal vrij, desnoods achteruit, en zoeken dan naar opties om zo snel mogelijk gebruik te maken van de desorganisatie bij de tegenstander. Wij hebben vanuit balverovering rond de middenlinie relatief veel gescoord, misschien nog wel meer dan via een georganiseerde opbouw.”

Pascal Jansen: “Het liefst veroveren wij de bal al in de eerste fase van de opbouw bij de tegenpartij. De reden moge duidelijk zijn: pak je hem af, zit er meteen een doelkans aan vast. We proberen dat dus door middel van het doorschuiven van een van onze middenvelders op een centrale verdediger die in balbezit gaat komen (de bal rolt nog en de middenvelder is al onderweg) te bewerkstelligen. De middenvelder die moet doorstappen, staat al iets vóór zijn directe tegenstander opgesteld om een voorsprong op de situatie te nemen. Normaliter zou je hem in de rug van zijn tegenstander laten dekken, maar omdat wij weten op welke centrale verdediger hij moet doordekken en wij dus de pass naar die speler afdwingen, kunnen we dit al doen. (zie tekening 4) In feite is dit ook voorbereidend op de omschakeling, reden ook waarom ik bij dit thema toch start bij het verdedigen. Stel nu dat die centrale verdediger van de tegenpartij er toch in slaagt het middenveld in te spelen, dan zitten wij daar vól in duel en kunnen we bij de tweede of derde pass de bal afpakken. In dat geval staan zij in een aanvallende organisatie. Daarvan kunnen wij dan profiteren. Veroveren wij de bal, dan is ons uitgangspunt: altijd vooruit. Onze buitenspeler aan de zijde waar de bal is, zal dan altijd direct diep moeten gaan lopen. (zie tekening 5) Dan móet er bij de tegenstander iets gebeuren. Of onze buitenspeler krijgt ruimte en kan met een directe pass bereikt worden, of zijn tegenstander loopt mee en laat tussen de linies ruimte vallen. In die ruimte kan een middenvelder of een back lopen, zodat wij toch vooruit kunnen spelen.

Pieter geeft aan dat zijn centrale verdediger niet zomaar zal doordekken op onze middenvelder. Hun middenvelder zal dus ook niet zo maar kunnen doordekken op onze verdediger die de bal heeft veroverd. Daar ontstaat dus ruimte om te voetballen. Stapt die middenvelder van de tegenpartij tóch door en dekt hun centrale verdediger inderdaad niet door, dan ontstaat daar weer ruimte. Er ontstaat altijd ergens ruimte. Door daarin te bewegen, moet je kunnen doorvoetballen. Het eerste principe is dus vooruit voetballen, maar wel altijd vanuit de wetenschap dat dit ook kán. Pas als dit echt niet lukt, gaan we vanuit een georganiseerde opbouw spelen. Maar dit is echt onze tweede optie. Het is zaak dat onze spelers die opties gaan zien. Maar ik begon bewust bij onze buitenspelers. Die moeten diep gaan lopen op het moment dat wij de bal veroveren, om ruimtes te creëren. Om zelf aanspeelbaar te worden, of je medespelers in staat te stellen in de vrijkomende ruimtes aanspeelbaar te worden. Dat bewustzijn hebben wij er echt in ‘geramd’ bij die spelers. Zij moeten bij balverovering de voorwaarden creëren waarbinnen ons team kan gaan aanvallen. Dat doen ze door weg te lopen. Daarbij is dus de eerste intentie om een linie over te slaan, dus niet iemand aan te spelen in dezelfde linie: inspelen, vrijmaken, diepte. Trainen we bijvoorbeeld het omschakelen van verdedigen naar aanvallen, moet ik er in mijn training voor zorgen dat de buitenspelers vaak in de situatie komen waarin zij de keuze moeten maken om diep te gaan na balverovering door hun ploeg. Om die situaties veel voor te laten komen kan het zijn dat we de tegenpartij, dus de partij in balbezit die de bal ‘moet verliezen’, een beperkt aantal handelingen toestaan. Je weet dan dat zij vaker balverlies zullen lijden, waardoor de te coachen ploeg vaker in het omschakelmoment naar aanvallen zal komen.”

Even een stapje buiten het thema: wat is de optie om onder de druk uit te komen die hierboven geschetst wordt?

Pieter Schrassert Bert: “Binnen de Sparta-opleiding willen wij dat spelers direct betrokken zijn en uit zijn op het spelen van de opbouw om zodoende gedegen in fase 2 te komen. We proberen hier snel de juiste voorwaarden voor te scheppen door de ruimtes in fase 1 zo groot mogelijk te maken. Wij willen spelers bewust maken van het maken van keuzes afhankelijk van de speelwijze van de tegenstander. Als een van hun aanvallende middenvelders doordekt, komt in beginsel in zijn rug ruimte te liggen. Dekt de tegenstander door van achteruit, op welke moment en in welke richting en op welke snelheid? De manier waarop de tegenpartij dat probeert te doen zal bepalen waar voor ons de ruimtes en operationele zones komen om georganiseerd in de volgende fase te komen en mensen vrij te spelen hoger op het veld. In principe proberen we het te blijven zoeken in de combinatie. Eventueel kunnen we daarbij ook de keeper als vrije man gebruiken. Maar verlies je in die opbouw toch regelmatig de bal, kom je weer ongeorganiseerd in een omschakelsituatie terecht. Dan kiezen we er nog wel eens voor om sneller een linie over te slaan en te organiseren dat we directer de spitsen te zoeken en van daaruit positiespel proberen te spelen. Er zijn wedstrijden geweest waarmee we dan toch gevaarlijk konden worden.”

Periodiseren

Hoe zet je het trainen van tactische aspecten zoals deze omschakelmomenten weg in een cyclus, zoals bijvoorbeeld bij voetbalconditionele training het geval is?

Pascal Jansen: “Aan het begin van de week bepalen we het hoofdmoment dat we die week willen belichten. Alle vormen die we daarna geven, hebben dan ook ingrediënten van dat hoofdmoment. Spelers voelen derhalve continu wat de essentie van een oefening is, ze weten precies wat ze aan het trainen zijn. Zelfs in de warming-up voelen ze dat al. De fysieke bewegingen, bijvoorbeeld het voetenwerk, wenden, keren en het doorstarten, die ze straks in de oefening gaan tegenkomen, kun je in de warming-up al verwerken. Of neem een pass- en trapvorm: ik neem de bal aan, draai achter een dopje langs en speel de volgende speler aan, waarna iemand uit mijn rug vertrekt om jou onder druk te zetten. Dan heb je al weer iets van een omschakelmoment in je oefening verwerkt.”

Pieter Schrassert Bert: “Sparta gelooft er sterk in om bijvoorbeeld per week een bepaald thema helemaal uit te werken. Dit betekent dat je juist dit element dan ook sterk terug moet laten komen in je wedstrijdbespreking. Wij maken hiervoor ook echt een periodisering. Daarbij kijken wij wel naar de tegenstanders die we gaan tegenkomen, maar vooral proberen wij een volgorde aan te houden waarmee wij de spelers zo goed mogelijk kunnen ontwikkelen. Echter, ten behoeve van de teamontwikkeling kunnen wij daar van tijd tot tijd ook van afwijken. Soms moet je als trainer je gevoel volgen. Als dat zegt dat het nu beter is om nog een week aan een aanvallend thema te besteden terwijl verdedigen eigenlijk op het programma stond, kunnen wij kiezen voor een aanpassing binnen ons jaarplan. Omdat het op dat moment nodig is. De juiste oefeningen bedenk je er dan wel bij. De ontwikkeling bij de spelers en in de speelwijze is dan leidend. Maar wij bewaken natuurlijk wel dat alle hoofdmomenten voldoende aan bod komen, omdat opleiden een proces is en het resultaat van ondergeschikt belang is.”

De KNVB hanteert de volgorde: eerst trainen we het verdedigen, daarna het opbouwen, het druk zetten en het aanvallen.

Pieter Schrassert Bert: “Wij houden daar een andere lijn in aan: ook wij kiezen eerst voor verdedigen om van daar uit door te gaan richting de omschakeling naar het aanvallen. Daarna zal het aanvallen belicht worden en dan logischerwijs van de omschakeling naar het verdedigen terug naar het verdedigen.. Dit om een en ander helder en duidelijk op elkaar aan te laten sluiten. Ik probeer gaandeweg een seizoen ook twee teamfuncties aan elkaar te koppelen, zodat ik die in één oefening trainbaar kan maken. Denk daarbij aan verdedigen en omschakelen naar aanvallen. Het zijn zaken die in elkaars verlengde liggen, waarbij het tweede moment (de omschakeling) in feite maar heel kort is. Daarna, als ik nog meer de diepte in wil, probeer ik ze ook wel van elkaar los te koppelen.”

Pascal Jansen: “In mijn aanpak heeft verdedigen de prioriteit als het gaat om de volgorde waarin ik de hoofdmomenten behandel. Als een speler de bal in bezit heeft, wil hij daar van nature wel iets mee doen. Dus daar zit niet het eerste aandachtspunt. In het verdedigen is een bepaalde discipline nodig, dus daar starten we mee. Daarna gaan we naar het omschakelen naar verdedigen, en vervolgens komen de opbouw en de aanval aan bod. In de voorbereiding ben ik ook vanuit het oogpunt van intensiteit met verdedigen begonnen. De schakelmomenten worden dan wel belicht, maar krijgen nog geen belangrijke rol. Ben je vier weken verder in je voorbereiding, gaat de intensiteit omhoog en komen die schakelmomenten ook aan de orde. Week na week benadruk ik daarna een ander hoofdmoment. Je hebt weliswaar altijd prioriteiten in je training, maar ik vergeet nooit dat alles belangrijk is. Trainen we bijvoorbeeld de opbouw maar de aanvallers van de tegenpartij doen niet wat we hebben afgesproken, dan zullen zij dat ook merken. Het kan niet zo zijn dat ik dat dan maar even door de vingers zie omdat ik het over opbouwen en aanvallen wilde hebben. Dat de verdedigende partij zijn taken goed uitvoert, is een voorwaarde om onze doelstellingen in het aanvallen te halen. Maar de prioriteit is dan wel het aanvallen. Ik heb het genoegen met verschillende trainers op het veld te staan, die ook verschillende types zijn. Mart van Duren (een voormalige aanvaller) en André Ooijer (verdediger) hebben beiden de gave om individueel bij spelers ‘binnen te komen’ maar brengen vanuit hun natuur een andere voorkeur mee. Dat sluit perfect aan. De hoofdmomenten die we kiezen, zijn in ieder geval bij ons niet afhankelijk van de tegenstander. Het is niet zo dat we tegen een relatief zwakke tegenstander opeens aandacht aan het aanvallen gaan besteden. Maar in een wedstrijdbespreking besteden we natuurlijk aan specifieke kenmerken van de tegenstander wel aandacht.”

Bij A-junioren hoort het element dat de wedstrijden gewonnen moeten gaan worden. De omschakeling neemt daarin een steeds belangrijkere positie in. Dat geldt bij jongere leeftijdsgroepen minder. Hoe verloopt die aansluiting?

Pascal Jansen: “Toch zijn er altijd raakvlakken tussen wat ik bij A1 doe, en wat bijvoorbeeld bij de D-categorie gebeurt. Alleen de weerstanden zijn dan anders of de eisen liggen minder scherp. Bij de D kijk je vooral naar de intentie, aan de uitvoering besteedt de coach in beginsel minder aandacht. Bij de A moet niet alleen de intentie goed zijn, maar ook de uitvoering.”

Onderscheid

Wat onderscheidt de A-junior van de A–junior van pakweg twintig jaar geleden?

Pieter Schrassert Bert: “Ik denk dat A-junioren tegenwoordig steeds meer betrokken zijn bij de ontwikkeling van het elftal. Niet dat zij de speelwijze bepalen, maar dat gevoel hebben ze wel. Ze kunnen er daardoor steeds meer over meepraten, de speelwijze concreter gaan uitvoeren en daardoor onderdeel zijn van het ontwikkelingsproces. Bovendien is het interessant om te zien in hoeverre zij een wedstrijdbespreking kunnen voorbereiden en uitvoeren. Hiermee kunnen ze zelf uitspreken waar de prioriteiten liggen voor de komende wedstrijd. Dat ervaar ik als leuk, het is een duidelijk verschil met vroeger en zou ik ook zeker niet bij alle leeftijden toepassen.”

Pascal Jansen: “Niet alleen A-junioren maar ook jongere spelers zijn tegenwoordig al veel eerder betrokken bij teamzaken. Dat wordt ook gestimuleerd door hun omgeving. Kijk eens naar de spelletjes die ze spelen, daarin zijn ze ook steeds bezig met het maken van opstellingen: wie speelt met wie, als ik de een eruit haal wie moet ik er dan in zetten. Twintig jaar geleden gaf de coach de opdrachten en dat was het dan. Tegenwoordig worden spelers door de trainer-coaches veel meer in het proces betrokken. Maar soms zijn trainer-coaches nog best heel directief. Daar moet je mee kunnen spelen. Wat is nu de ideale rol van een coach binnen een ontwikkelingsproces? Op welke terreinen begeef je je wel, op welke niet? Je moet je daarin verdiepen. Werken met D’s is echt iets heel anders dan het trainen van A-spelers. Bereid spelers maar eens voor op het meespelen met het eerste elftal. Dat kun je echt niet zomaar. Ik geloof in het opleiden van specialisten. Dus een gespecialiseerde D-trainer. Of iemand die juist extreem goed is in het trainen van B-spelers.”

Hoe bereid je die speler uit de A-junioren voor op spelen in het eerste elftal?

Pascal Jansen: “Ons voordeel is dat we erg veel mensen uit de praktijk in de opleiding hebben lopen, dus spiegelen wordt daardoor eenvoudiger. Van belang is hoe je je eigen persoonlijkheid ontwikkelt tot een volwassen prof. Wat wordt er bij het eerste elftal gevraagd, en hoever zit jij daar nu vandaan? Wat is het beeld van de speler, en wat is het beeld dat de staf daarbij heeft? We laten onze talenten daarom mede begeleiden door de Talenten Academie, zodat die speler zijn einddoelen kan realiseren. Hij stelt daartoe ook zijn eigen doelen binnen wedstrijden, die hij vervolgens ook zelf in de hand heeft. Daarnaast moeten spelers elkaar aanspreken op gedrag. Als iemand zijn taak verwaarloost, moet hij dat te horen krijgen. De ideale manier is dan natuurlijk om hem aan de hand van beelden met de realiteit te confronteren. Dan zien ze ook: we hebben dan wel 4-0 gewonnen, maar kijk eens: hier laat ik mijn man zo maar lopen.”

Pieter Schrassert Bert: “Wij benaderen elke wedstrijd op dezelfde manier, omdat resultaat van ondergeschikt belang is aan ontwikkeling. Het winnen van wedstrijden is dan niet het doel op zich, maar je ontwikkelen om zo structureel beter te worden. Dan is de stand in de wedstrijd ook niet bepalend voor je handelen. Oók als je ruim voorstaat, moet je het toch volhouden om juist te handelen en de teamafspraken na te komen. Daarin probeer ik ook spelers met elkaar in contact te brengen. Ik koppel spelers aan elkaar die kritiek van elkaar kunnen accepteren. Daarmee wordt een speler gecorrigeerd in zijn gedrag en de ander leert om medeverantwoordelijk te worden voor het gedrag binnen het team. Dat moet hem dan verder helpen.”

 

Om dit artikel te bekijken moet je zijn ingelogd en geabonneerd op CoachVak.

Inloggen Abonneren

 

Delen
Gerelateerd

‘Beste talent moet beste programma hebben’

Naarmate het eerste elftal beter presteert en dus de eisen hoger worden, wordt het voor […]
Lees verder

Individueel maatwerk en toekomstperspectief voor talentvolle jeugdspelers

De overstap van talentvolle jeugdspelers van de academie naar het eerste elftal betaald voetbal is […]
Lees verder

De Graafschap onder 19: Mounir Azaoum

Mounir Azaoum werkte in het verleden als jeugdtrainer bij VVVVenlo. In zijn eerste periode bij […]
Lees verder
  • Home
  • Vakblad
  • Mediatheek
  • TrainingsPlanner
  • CoachVak
  • Academie
  • Shop
  • Artikelen
  • VBT Basis
  • Meer
    • Trainer gezocht
    • Nieuwsbrief
    • Top 200
    • Rinus Michels Awards
    • Ideeënbox
    • Adverteren
    • Abonneeservice
    • Klantenservice
    • Contact
Abonneren Inloggen
Een uitgave van

Over De Voetbaltrainer

Als trainer/coach wil jij je blijven ontwikkelen. 

De Voetbaltrainer maakt dit op een leuke én effectieve manier mogelijk. Je vindt over nagenoeg elk onderwerp vakinformatie in de vorm die bij jou past. 

Met De Voetbaltrainer lees, bekijk en leer je alles over het trainersvak, waar en wanneer jij maar wilt.

Onze uitgaven

  • Vakblad
  • Mediatheek
  • TrainingsPlanner
  • Academie
  • CoachVak
  • VBT Basis

Contact

  • Over ons
  • Contact
  • Abonneeservice
  • Klantenservice
  • Nieuwsbrief

Volg De Voetbaltrainer

  • Disclaimer
  • Leveringsvoorwaarden
  • Cookiebeleid
  • Privacyverklaring
  • Privacy instellingen
  • Eisma Content Marketing
  • Studio Eisma