“Kinderen die bij onze voetbalschool spelen, willen vooral plezier hebben in het spelletje. Voor trainers betekent dit dat ze vooral veel positieve feedback geven, enthousiasmeren en stimuleren. Als je voetballertjes van deze leeftijden beter wilt maken, is het een absolute must dat ze plezier hebben in wat ze doen. Én dat een trainer ziet dat ze hun best doen en ze complimenteert waar dat maar kan. Dit alles gebeurt in oefeningen, gespeeld in een heel hoog tempo, met veel uitdaging, veel herhalingen en veel mogelijkheden tot scoren. Voor een trainer is er een aantal belangrijke uitgangspunten. Als eerste wil je dat elk kind het naar de zin heeft op de training. Dit houdt in dat je goed moet kijken naar het kind. Na een goede actie een schouderklop, een compliment, steeds wel heel gericht en bewust. Die benadering van spelers maakt dat ze zich steeds verder willen ontwikkelen, want in een prettige leeromgeving presteer je het beste. Her en der kom je langs de velden wel eens trainers tegen die dingen zeggen als: ‘Dat moet je niet zo doen.’ Vervolgens komt er een heel verhaal hoe het dan wél moet. Bij ons komt die manier van benaderen niet voor. Het gaat om het laten ervaren. Trainers stellen vragen aan de spelers en dát draagt bij aan hun ontwikkeling. De omgang met spelers is erg belangrijk en ik vraag mij af of dat aan te leren is. Een goede jeugdtrainer heeft dat van nature in zich. Vervolgens proberen we van alles te ontwikkelen bij het kind, maar de nadruk leggen we op de goede dingen. Die specifieke kwaliteiten, zoals een mannetje kunnen passeren of het dribbelen met de bal, moet je uitbouwen. Vroeger zei men over John van ’t Schip ook niet dat hij een heel complete voetballer was. Maar hij had wél een geweldige voorzet in huis en dat heeft hem ver gebracht.”
Pijler 2: Techniek
Harry Rutgers: “Techniek is de basis van voetballen. Door de bal te laten doen wat jij wilt, dus door controle te hebben over de bal, ben je in elke situatie je tegenstander de baas. Het ontwikkelen van techniek is volgens mij niet los te zien van plezier en bewegen. Typerend voor onze voetbalschool zijn de vele kleine wedstrijdvormen, 1:1, 2:1, 2:2, 3:2 et cetera. We gaan hierbij tot maximaal 5:5. Dit betekent veel balcontacten, onder weerstand en telkens met veel uitdaging en veel herhaling. Kinderen leren het meest door dat vele herhalen in verschillende vormen. De trainer zet een basisvorm neer en begeleidt de jongens vervolgens op een positieve manier. Aandacht is er bij het ontwikkelen van die techniek voor de tweebenigheid. Aannemen met links en rechts, passen met links en rechts. Door regeltjes toe te voegen aan de uitvoering van een oefening kun je dit gedrag beïnvloeden en de spelers laten ervaren hoe het is om met links aan te nemen onder druk. En dan bevragen we spelers wel: ‘Hoe kom je uit als je met links daar aanneemt? Kun je dan gelijk doorspelen of verder dribbelen?’ Door in kleine aantallen te blijven werken, zorg je ervoor dat spelers heel veel aan de bal komen. Bovendien is er weinig materiaal nodig om de oefening uit te zetten, zodat je eenvoudig meerdere organisaties kunt uitzetten. Een paar pylonen, doeltjes en wat ballen. Daar maak je dan regels bij en je coacht positief en enthousiasmerend.”
Pijler 3: Bewegen
Harry Rutgers: “De pijler Bewegen houdt ook in: bewegingsvolle trainingen (arbeid/rustverhouding in acht genomen). Het gaat over vrijlopen: naar de bal toe bewegen of juist wegblijven? Dit soort elementen in het voetbal heeft te maken met het juiste moment en het maken van de goede keuzes. Bij ons zijn deze bewegingen, die al onbewust iets met tactiek te maken hebben, verweven in alle trainingsvormen. Techniek en tactiek kun je ook niet los van elkaar zien, omdat het van belang is dat je al voetballend de juiste keuzes maakt in de toepassingsvormen. Veel trainers stoppen kinderen vol met opdrachten. ‘Als de bal van de flank komt, moet je voor de goal staan.’ Toch wordt hier een belangrijke stap gemist, want hóe moet je dan vrijkomen? Hoe bepaal je nou wanneer en hoe je bij bijvoorbeeld een schuine bal een loopactie moet maken? Aan het onderdeel bewegen met en zonder bal besteden we dan ook veel aandacht en laten spelers ervaren wat er gebeurt als ze even wegblijven bij de bal of juist drie meter voor- of achteruit gaan lopen. Hetzelfde geldt voor een duel 1:1. Een trainer kan het moment waarop je een actie moet inzetten wel voorzeggen of laten zien door het voor te doen, maar uiteindelijk leert de speler die momenten het beste herkennen wanneer hij het zelf ervaart. Dit betekent simpelweg dat hij veel duels 1:1 moet aangaan.
In deze leeftijd werken spelers ook aan hun sprintvermogen. Wij gebruiken sprintvaardigheid wel als een voorwaarde om in balbezit te komen. In bepaalde oefenvormen sprinten de spelers eerst tien tot vijftien meter, waarna het snelste tweetal de bal krijgt. Of we laten spelers sprinten na een doelpunt (zie tekening 3a), waardoor de aanvallende partij met een overtal komt te staan. Een speler wil dan ook snel sprinten, omdat hij daarna pas zijn team weer kan helpen. Dit is een belangrijk verschil met trainingsvormen waarbij trainers spelers laten sprinten om het sprinten. De trainer heeft ook invloed op de keuzes die spelers maken. Bij bepaalde oefeningen (zie tekening 3a) speelt de trainer namelijk de spelers in. Door bijvoorbeeld ook na gescoorde goals of na uitballen een willekeurige speler zomaar ineens in te spelen, worden spelers in het veld gedwongen te anticiperen op de nieuwe situatie. Ze krijgen nog geen seconde ruimte om uit te rusten. Bal uit? Trainer speelt gelijk een nieuwe bal in.”
Zwemles
Harry Rutgers: “Een vriend van mij vroeg me eens mee te gaan naar een zwemles, om te laten zien hoeveel tijd er netto daadwerkelijk gezwommen werd. We gingen zitten op een bankje en hebben de hele les geobserveerd. Van de 45 minuten die de les duurde, werd er maar 15 minuten daadwerkelijk gezwommen. De rest van de tijd moesten alle kinderen weer even op het bankje zitten, omdat de badmeester iets voor wilde doen. Daar schrok ik toch wel van. Maar op het voetbalveld werkt dat soms net zo. Trainers zouden zich moeten afvragen of dat situatief coachen wel zo goed is. Want je onderbreekt de oefenvorm voor een aanwijzing, het tempo is er totaal uit en iedereen staat stil. Wat wordt er dan geleerd? Zeker in de jongere jeugd worden kinderen dan nog vervelend ook. En dan vraagt een trainer zich af hoe dat komt. Ik denk dat je kritisch moet bekijken of het rendement van dat situatief coachen wel zo hoog is als veel trainers denken. De kracht ligt volgens mij juist in het laten dóórlopen van de oefening en het laten ervaren. Tussen het vele herhalen door heb je genoeg tijd om een speler terloops een aanwijzing te geven. Of je doet dat na afloop nog eens even.”
Bekaf
Harry Rutgers: “Doordat wij het spel niet stilleggen, is de intensiteit enorm hoog. Spelers moeten daar ook erg aan wennen en in het begin, als ze voor het eerst bij ons komen, zijn ze dan ook bekaf. Toch hoort dit bij de leeftijdsspecifieke kenmerken van een F, E of een D. Deze spelers hebben veel energie en de E en D zijn ook nog eens heel competitief ingesteld. Daar moet je als trainer gebruik van maken, door ze oefeningen aan te bieden waar ze energie in kwijt kunnen en er competitief het nodige aan bod komt.”
Enkele voorbeelden van trainingsvormen volgen verderop. Typerend voor de oefenvormen van Voetbalschool ‘Kick Off’ is het tempo waarin de uitvoering geschiedt, de uitdaging die steeds weer in de vorm gezocht wordt, het aantal herhalingen en dat de spelers veel kunnen scoren. Door middel van simpele aanpassingen aan de regels van het spel ontstaat er weer een nieuw soort voetbalvorm.


