‘In de oefeningen later die week hebben we wel meer facetten en factoren van het verdedigen naar aanvallen benoemd en getraind. We hebben ze bijvoorbeeld laten ervaren wanneer een bal wel of niet diep gespeeld kan worden. Als je kinderen van deze leeftijd een opdracht meegeeft, willen ze die per se goed uitvoeren. Ze nemen het heel letterlijk. Als ik zeg dat ze de eerste bal diep moeten spelen, gaat elke pass die training meteen naar voren. Of het kan of niet. Aan die keuze hebben we aandacht besteed tijdens een groot partijspel, 8:4 met één neutrale speler.
Zodra het viertal de bal veroverde, konden ze aan beide kanten van het vak (20 bij 20 meter) een spits met een verdediger in zijn rug aanspelen in de diepte, om vervolgens bij te sluiten en af te werken. (zie tekening 5, de vorm is daar 8:5) Daarbij hebben we heel duidelijk gecoacht op voorwaarden voor het diep spelen op de spits. Als er een speler voor ze loopt, of de bal stuitert vervelend op, of de spits beweegt niet goed mee, dan kunnen ze de bal niet meteen diep spelen. Beter is dan om de bal eerst breed of terug te spelen, om daarna alsnog de diepte te zoeken. Door met een neutrale speler te spelen, heeft de ploeg die de bal verovert net even wat extra opties. We hadden het eerst gewoon 9:4 staan, maar in die situatie moest de bal meteen diep worden gespeeld, anders was die telkens alweer terugveroverd door de aanvallende ploeg. Plus dat die vier veel moeite hadden om de bal überhaupt te veroveren en uitgeput waren als dat eindelijk lukte. Met een neutrale speler erbij ging het gelukkig een stuk beter. Om het wat meer wedstrijdecht te maken hebben we daarna het vak dieper op eigen helft gezet en de spitsen alleen nog voorin – dus niet meer aan twee kanten – geposteerd. De drie aanvallers stonden net als in een wedstrijd gespreid voorin met twee verdedigers, zodat de bal meteen diep gespeeld kon worden bij balverovering in het vak (6:5 met één neutrale speler). Bij balverovering moesten, net als in een wedstrijd, twee middenvelders bijsluiten bij de aanvallers. Van de verdedigende partij mocht één speler gaan meeverdedigen. Op die manier kreeg je een redelijk echte wedstrijdsituatie waarbij er bij balverovering meteen omgeschakeld kon worden naar de aanvallers en ook de rest van het team moest omschakelen. De aanvallers mochten namelijk pas scoren als alle spelers over de middenlijn waren. De spitsen konden op deze manier de afstemming op elkaar goed trainen.
Dat kwam er een aantal keren goed uit. (zie tekening 6 en voor de video in de Mediatheek) In deze vormen konden we al meer op details gaan coachen: hoe legt de spits de bal terug op de middenvelder? Welke pass is wel en niet verstandig? Welke loopacties kun je beter niet maken als middenvelder? Er werd gespeeld met buitenspel en alle spelers speelden op de voor hen wedstrijdechte posities.’