Julian Nagelsmann (30) neemt als jongste Bundesliga-coach ooit TSG 1899 Hoffenheim onder zijn hoede als de club in flinke degradatiezorgen verkeert. Dankzij een geweldige serie handhaaft Hoffenheim zich. In het seizoen erop wordt zelfs Europees voetbal behaald. Nagelsmann varieert in formaties, maar kiest het vaakst voor 1:3:5:2 met de punt naar achteren op het middenveld. De Voetbaltrainer pakte er het nodige beeldmateriaal bij en vat de belangrijkste voordelen van en spelsituaties binnen deze formatie samen.

Nagelsmann laat zijn ploeg doorgaans spelen in een 1:3:5:2-formatie met de punt naar achteren op het middenveld (zie afbeelding boven). De buitenste centrale verdedigers spelen in de opbouw vaak iets hoger dan de middelste, om in te schuiven richting het middenveld of daar in elk geval mee te dreigen. Een controleur voor de driemansdefensie maakt zich zoveel mogelijk aanspeelbaar en probeert het spel van achteren naar voren te verplaatsen. De twee vleugelspelers bestrijken de gehele flank. Beide aanvallende middenvelders hebben een veelzijdige rol: zij spelen in de bal om een extra pass- optie van achteruit te creëren, maar gaan ook diep als Hoffenheim op de helft van de tegenstander speelt. Diezelfde afwisseling geldt voor beide spitsen: het ene moment worden zij een extra middenvelder, het andere moment gaan ze diep of wijken ze uit naar de zijkant.

Spelprincipes

Nagelsmann schijnt met tientallen spelprincipes te werken, die hij uiteraard niet naar buiten toe prijsgeeft. Hieronder een paar voorbeelden van die principes.

Afwisselen diep en in de bal

Wat je regelmatig terugziet bij Hoffenheim is dat twee spelers tegelijkertijd een loopactie maken in een tegengestelde richting, zoals in de afbeelding links zelfs op twee plekken tegelijk gebeurt. Dit zorgt voor heel veel verwarring. Dekt de verdediger door op een speler die inzakt, dan laat hij een gat vallen in zijn rug. Blijft hij staan, dan komt de speler die hij op dat moment dekt vrij. Voor het meelopen met een diepgaande speler geldt een soortgelijk dilemma: loop je mee, dan trek je de buitenspellijn naar achteren. Blijf je staan, dan bestaat het risico dat de speler die jij dekt alleen voor de keeper opduikt. In de situatie op de afbeelding krijgt de diepgaande nummer 29 (Serge Gnabry) uiteindelijk de bal mee in het zestienmetergebied.

Steil-Klatsch: inspelen, derde man

Spelers kunnen wel tussen de linies vrijlopen en proberen de passlijn te openen, maar de tegenstander probeert dit uiteraard te verhinderen. Als de verdedigende speler goed over zijn schouder kijkt en continu in de lijn blijft lopen van de vrijstaande middenvelder, kan hij niet direct bereikt worden. Dat kan wel via een omweg: eerst een station overslaan en de bal vervolgens laten vallen op de vrijstaande middenvelder. Dit wordt Steil-Klatsch genoemd in het Duits: eerst een strakke pass naar voren, gevolgd door een kaats.

Onderlinge afstanden bewaken

De term onderlinge afstanden wordt meestal gebruikt in verdedigende situaties, maar voor Hoffenheim is het zeker ook aanvallend van toepassing. Op de afbeelding helemaal bovenaan is niet alleen de formatie goed waar te nemen, maar zijn ook de onderlinge afstanden tussen de spelers ongeveer gelijk. Iedereen kantelt zo mee richting de bal dat spelers ongeveer tien à vijftien meter van elkaar af staan. Is die afstand slechts een meter of vijf, dan kan één tegenstander twee spelers afdekken. Is de afstand twintig meter, dan is het lastiger om kort te combineren. Een uitzondering vormen de spelers aan de zijkanten. Die blijven vaak het veld breed houden, ook als de bal aan de andere kant is. Zo bieden ze hun teamgenoten de mogelijkheid het spel te verleggen.

Spelpatroon voor diepgang

Het moment voor diepgang van de twee vleugelspelers is vaak hetzelfde. Hoffenheim bouwt op via de as en probeert zo een middenvelder vrij
te spelen met zijn gezicht naar het doel van de tegenstander. Dit gebeurt meestal via een combinatie en soms door een individuele actie. Lukt dit, dan is dat het teken voor de vleugelspelers om diep te gaan. Vooral Pavel Kaderábek, die aan de rechterkant speelt, heeft hier veel gevoel voor.

Om de vleugelspeler nog beter vrij te spelen, past Hoffenheim soms de volgende truc toe: een spits wijkt uit naar de zijkant en gaat in de dekking lopen bij de back. De centrumverdediger laat hem dus los. Als de spits ziet dat een middenvelder de bal vrijmaakt, beweegt hij weer naar binnen. Omdat de back hem niet kan of durft over te geven, loopt hij mee en komt de hoek open te liggen. Zo is er voor de diepgaande vleugelspeler nog meer ruimte om in te duiken.

Benieuwd naar de gehele analyse van Hoffenheim? Je kunt De Voetbaltrainer 232 los bestellen of je abonneren op ons vakblad en iedere 6 weken 84 pagina’s met vakinformatie in de bus krijgen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *