Na het bekleden van diverse functies bij verschillende clubs is Michele Santoni dit seizoen voor het eerst hoofdtrainer. Onder de Italiaans-Nederlandse trainer stond Almere City na acht speelronden zelfs voor het eerst in de clubgeschiedenis bovenaan, al viel de jongste club in het betaalde voetbal daarna terug richting de subtop. De Voetbaltrainer sprak Santoni voor het coververhaal in De Voetbaltrainer 238, onder meer over het combineren van het beste uit twee werelden: de Nederlandse en Italiaanse voetbalschool. Uit dat interview zijn hieronder enkele fragmenten terug te lezen.

Opbouwen tegen 1:5:3:2

U behandelt bij Almere City verschillende thema’s tijdens trainingen. Kunt u een voorbeeld geven van zo’n thema en het trainbaar maken ervan?

Michele Santoni: ‘Een scenario waar we tijdens trainingen aandacht aan besteden, is spelen tegen 1:5:3:2. Tegen die formatie krijgen onze backs veel vrijheid. Daarom spelen we een geconditioneerde trainingsvorm waarbij de backs in vakken beginnen. In die vakken mag geen tegenstander komen.

Opbouwen tegen 1:5:3:2

In wedstrijden waarin we tot nu toe tegen 1:5:3:2 speelden, merkten we dat het vaak lastig was om het vervolg te zoeken vanaf de back. Daarom hebben we daarvoor nu de volgende afspraak gemaakt.

Als de back wordt vrijgespeeld, zakt de middenvelder aan de balkant uit (loopactie 1). Blijft hij diep spelen, dan blokkeert hij de passlijn naar de spits, waardoor we een optie minder hebben. Nu hij uitzakt, staat de re chtshalf van de tegenstander voor een keuze.

Stapt hij door, dan komt de passlijn naar de spits open. Die komt dan over naar de balkant om aanspeelbaar te worden (loopactie 2). Blijft de rechtshalf van de tegenstander in de zone staan, dan wil ik dat onze spits zo diep mogelijk weg blijft, want hij is op dat moment dan toch niet aanspeelbaar.

Aan de contrakant wil ik altijd diepte zien, in dit geval door onze rechtshalf (loopactie3). En omdat in 1:5:3:2 vaak de back van de tegenstander uitstapt, gaat onze linksvoor diep in de rug van de uitstappende back (loopactie 4).

Zo hebben we vier goede opties om vanaf de back het vervolg te zoeken. Blijft de rechter centrale verdediger van de tegenstander centraal spelen, dan kunnen onze back en buitenspeler ook de 2:1-situatie aan de zijkant uitspelen.’

Opbouwen tegen 1:4:4:2

Veel teams in de Keuken Kampioen Divisie verdedigen in een vlakke 1:4:4:2. Hoe bouwen jullie in dat geval op?

‘Tegen 1:4:4:2 bestaat het gevaar dat je centrale duo onder druk komt te staan. Daarom laten wij onze backs wat lager op het veld spelen, waarmee ze ruimte creëren voor zichzelf of op die manier de buitenste middenvelders van de tegenstander naar voren lokken.

Een middenvelder en aanvaller van ons wijken uit naar de zijkant, waardoor we daar een 3:2-situatie creëren tegen hun back en buitenste middenvelder. Het principe daarachter is dus dat we ergens op het veld een overtal willen creëren. De manier waarop we dat doen, varieert op basis van onze eigen spelers en de tegenstander.’

Opbouwen tegen 1:4:4:2

Verdedigende principes

Welke spelprincipes hanteren jullie als de tegenstander in balbezit is?

‘Allereerst willen we altijd de as van het veld dichthouden. Dat betekent bijvoorbeeld dat een centrumverdediger bij voorkeur niet uitstapt naar de zijkant. Ontkomen we hier in een bepaalde situatie niet aan, dan laat een middenvelder zich zakken tot in de laatste linie om zijn positie over te nemen, waardoor de as weer bezet is.

Verdedigend principe

De afspraak is: gaat de bal aan je voorbij, dan dek je de ruimte. Stel dat de bal bij de tegenstander is, aan de rechterkant van het veld. Onze linker centrale verdediger is op dit moment verantwoordelijk voor de gearceerde zone. De bal wordt voor hem langs het middenveld in gespeeld. Dan loopt hij direct schuin achteruit, waarbij hij verantwoordelijk wordt voor een nieuwe zone. Zijn lichaam en gezichtsveld blijven richting de bal gericht. Hij draait dus rechtsom en niet linksom, want dan is hij de bal even kwijt. Je wilt altijd zicht op de bal houden, en het liefst ook op de belangrijkste ruimtes op het veld en het eigen doel.

Spelen we met vier verdedigers op lijn en moeten we achteruit, dan bewegen we richting de goal in een trechtervorm. Is de tegenstander achterin in balbezit, dan kunnen mijn verdedigers relatief ver uit elkaar spelen. Mijn middenvelders spelen dan juist dicht bij elkaar. Bereikt de tegenstander een speler op het middenveld, dan bewegen mijn verdedigers naar elkaar toe. De stelregel is dat de bal er niet tussendoor mag.

Op ons trainingsveld zijn extra belijningen aangebracht, waardoor er in de breedte van het veld zes zones zichtbaar zijn. We doen veel vormen waarbij het positie kiezen van de verdedigers centraal staat. Zo nemen we via een gestructureerde planning zo’n tachtig situaties door voor het positioneren van de verdedigers, afhankelijk van de locatie van de bal, of er druk op de bal is en hoe de tegenstander staat gepositioneerd.’

Veld met vakken

Meer weten