Geïsoleerde trainingsvormen zijn terug te zien bij nagenoeg elke club. Maar hoe leerzaam zijn oefeningen zonder weerstand van tegenstanders eigenlijk voor de spelers? Oftewel, hoe groot is de transfer naar de wedstrijd, waarin ze wél tegenstanders tegenkomen?

Geïsoleerde trainingsvormen

Geïsoleerde trainingsvormen zijn vormen waarin geen weerstand van tegenstanders voorkomt en de spelers niet of nauwelijks keuzes hoeven te maken. Te denken valt bijvoorbeeld aan een pass- en trapvorm waarbij de trainer het patroon aangeeft en een dribbelvorm tussen pylonen door.

Zulke geïsoleerde trainingsvormen kennen één groot voordeel: de spelers maken erg veel herhalingen. In korte tijd hebben ze veel balcontacten, in tegenstelling tot een wedstrijdsituatie waarin ze soms minuten achtereen bezig zijn met verdedigen of vrijlopen zonder de bal te raken.

Aan de hand van deze video wil @obsessfooty aantonen dat ook geïsoleerde vormen wedstrijdecht kunnen zijn en een speler beter maken in wedstrijdsituaties.

Wedstrijdecht

Toch kleven er grote nadelen aan geïsoleerde trainingsvormen. Elke voetbalactie in de wedstrijd bestaat namelijk uit drie stappen.

1. Een speler verzamelt informatie over de specifieke situatie. Een middenvelder kijkt bijvoorbeeld over zijn schouder om te zien waar zijn directe tegenstander zich bevindt.

2. Vervolgens maakt hij, op basis van de informatie die hij heeft verzameld, een bepaalde keuze. Hij besluit bijvoorbeeld naar links toe open te draaien.

3. Hij voert die keuze zo goed mogelijk uit.

In geïsoleerde vormen staat de tweede stap – het maken van keuzes – al vast. De trainer geeft aan welk patroon er wordt gespeeld of welke route spelers door de pylonen afleggen.

Daarom is ook het verzamelen van informatie een stuk minder belangrijk geworden. Vooral de derde stap staat centraal: het uitvoeren van bepaalde voetbalhandelingen.

dribbelen tussen pylonen
Het statement in deze strip is duidelijk: dribbelen tussen pylonen door is niet wedstrijdecht.

Andere voordelen

In De Voetbaltrainer 232 legden we de kwestie van geïsoleerde trainingsvormen voor aan Adrie Poldervaart (Excelsior), Bas van Baar (NEC Onder 13) en Byron Bakker (FC Groningen Onder 12). Zij waren alle drie stellig: om spelers beter te maken in het spelen van wedstrijden, zijn geïsoleerde vormen niet erg nuttig. Je maakt spelers alleen beter in uitvoeren en niet in informatie verzamelen en keuzes maken.

Toch gaven zij alle drie aan af en toe geïsoleerde vormen te gebruiken, om verschillende redenen.

  • Bas van Baar benadrukt dat je spelers in geïsoleerde vormen kunt laten zien welke bewegingen zij allemaal tot hun beschikking hebben. ‘Bovendien geven ze spelers het vertrouwen om de bewegingen ook in wedstrijden te proberen, ook al gaat dat nog lang niet altijd goed. En er komt in zulke vormen vaak een bepaalde schwung in de oefening, die de spelers meenemen naar de volgende vorm.’
  • Adrie Poldervaart geeft aan geïsoleerde passvormen alleen als verlengde warming-up te gebruiken, met als doel dat spelers warm worden. Soms doet hij daarin aanpassingen om de vormen wedstrijdechter te maken. ‘Dat kan bijvoorbeeld door de spelers zelf keuzes te laten maken in de speler die ze aanspelen, en door poppen (of kliko’s) te gebruiken, omdat die meer lijken op tegenstanders dan pylonen.’
  • Byron Bakker kiest voor ongeveer twintig procent van de tijd voor geïsoleerde vormen, bijvoorbeeld tussen twee partijvormen in, in de vorm van een wedstrijdje hooghouden. ‘Dat doe ik niet zozeer om de technische handelingen te verbeteren, maar om het competitieve element, de dynamiek die het in de training brengt en de concentratie die het vergt.’

Meer weten

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.